wildlife art

Wie een defenitie van ”kunst” kan geven, kan ook het begrip ”wildlife art” omschrijven. Wat is kunst? Je zou het een samensmelting van compositie en emotie kunnen noemen. Elke tijd kenmerkt zich echter door een eigen visie op wat kunst moet zijn. „Kunst ontwikkelt zich niet vanzelf”, zei Picasso. „De denkbeelden van de mensen veranderen steeds, en daarmee ook hun wijze van expressie.”Beeldende kunst die de levende natuur als inspiratiebron heeft, wordt vaak aangeduid als ”wildlife art” of als ”natuurkunst”. Het feit dat in dit genre dieren in het wild vaak prominent worden afgebeeld, betekent niet dat planten niet aan bod (mogen) komen. De term ”dierschilderkunst” dekt de lading dus niet.

GÉ NIJHUIS, organisator van de jaarlijkse tentoonstelling ”Wild in de Natuur”, om schrijft ”wildlife art” als een kunstvorm gebaseerd op het thema ”in het wild levende dieren”. Om de fauna trefzek er te kunnen schilderen moet de kunstenaar dieren in hun natuurlijke biotoop observeren, meent de eigenaar van ’t KUNSTHUIS VAN HET OOSTENin Enschede. „Het kunstwerk moet die omgeving ademen. In dit genre moet alles kloppen. Je moet een lynx niet schilderen in een Veluws landschap of een citroenvlinder op een herfstaster. In een dierentuin gedragen dieren zich anders dan in de natuur. Bovendien zijn ze vaak te vet door de goede voeding die ze krijgen. Ook hun nagels zijn meestal te lang. Je kunt er best ruwe schetsen maken en de grove opzet bestuderen. Dat je voor de detaillering foto’s gebruikt is evenmin erg.” Een schilder die veel verschillende soorten dieren uitbeeldt, is in zijn ogen een amateur. „Het bestaat niet dat je de anatomie, het gedrag en de leefomgeving van een groot aantal beesten tot in detail kent. Een schilder die zijn vak serieus neemt, gaat zich specialiseren.” Nijhuis heeft niets tegen abstracte kunst, maar realistische kunst stelt volgens hem altijd iets voor. Letterlijk. „Een realistische of naturalistische schilder ziet vaak ook andere dingen dan de meeste mensen. Hij heeft geleerd oog te hebben voor details. Een bemoste steen of een afgevallen blad. De kunstenaar kijkt om te registreren en dat kan voor toeschouwers enorm verrijkend zijn.” Het resultaat hoeft niet altijd een optelsom van pietepeuterige details te zijn, maar soms leidt een realistische interpretatie tot voorstellingen die precies op foto’s lijken. Toch is volgens Nijhuis een foto van een wild beest heel iets anders dan een schilderij waarop dat dier met fotografische nauwkeurigheid en bewonderenswaardige precisie is gepenseeld. „Een foto is een momentopname. Een camera interpreteert niet en combineert niet. Een goed schilderij is een combinatie van waarneming en visie. Een schilder analyseert datgene wat hij zelf ziet en pelt de verschillende elementen kleur, licht, vorm en ruimte uit elkaar. Daarna stelt hij het beeld opnieuw op het doek samen, met bepaalde zwaartepunten en accenten. Die kunnen in alle rust bekeken worden en overwogen, en eventueel nog aangepast.” Natuurkunstenaars vestigen soms de aandacht op nieuwe en daarom zo leerzame details, aldus Nijhuis. „Bernd Pöppelmann schilderde eens een slechtvalk bij haar nest. Daarin lagen kapotte eieren. Vanaf een klif keek je in een dal en zag je schoorstenen van een kerncentrale. Zonder echt het vingertje te heffen, attendeerde deze Duitse wildlife artist op de milieueffecten.”

ROBIN D’ARCY SHILLCOCK, zelf kunstenaar en een van de grondleggers van de ARTISTS FOR NATURE FOUNDATION (ANF), schreef in boeken en tijdschriften over ”wildlife”-kunst en landschapsschilderen en hield lezingen over deze onderwerpen. Zowel het boek ”Wind, Wad & Waterverf” (1992) als de jubileumcatalogus van de 25e ”Wild in de Natuur”-tentoonstelling van ’t Kunsthuis van het Oosten (2003), bevatten zijn lezenswaardige opvattingen over natuurkunst. „Door te kijken en door te vergelijken leren kunstenaars, kunstgeïnteresseerden en kopers onderscheid te maken tussen het goede en minder goede, tussen het voorspelbare en het onverwachte, tussen trucjes en de pure magie. Want kunst is als magie, soms werkt het, soms ook niet. Net als magie is het uitleggen ervan gewoon ondoenlijk en pogingen om een dergelijk ongrijpbaar en complex proces vast te pinnen blijken veelal futiel. Ten dele gaat het in het proces van kunst maken om werk: een kunstenaar moet gewoon hard werken, studeren met het potlood in de hand, opnieuw proberen, telkens opnieuw, als een ambachtsman. Maar het gaat ook om andere zaken: om intuïtie, het hebben van een oog voor compositie, ritme en kleur. Het gaat om het ontwikkelen van een visie, voortkomend uit ervaring, kennis, ideeën over het leven, over kunst. Dat alles speelt door het hoofd van een kunstenaar die bezig is. Waar hij op hoopt is dat op een bepaald moment iets wat ik maar ”magie” zal noemen zijn werk binnenglipt. Zodat het leven krijgt en leven stráált. Opdat iemand anders erdoor gegrepen wordt.” Kunstcritici en kunsttheoretici hanteren volgens hem graag het woord ”specialisme” als ze natuur- en dierschilders categoriseren. „”Dierenschilder” is hun jargon synoniem voor een overblijfsel van een geromantiseerd verleden, metafoor voor de zonderling die zich afwendt van de moderne kunst en daardoor van de moderne maatschappij. Toegegeven, een dierenschilder legt zich een wat andersoortige beperking op dan de meeste kunstenaars. Hij onderscheidt zich van hen door zijn afwachtende houding. Hij maakt zich namelijk afhankelijk van onderwerpen die niet te ‘regisseren’ zijn en die alles doen om de mens te ontwijken. Hij zoekt de provocatie die uitgaat van de aanwezigheid van dieren. Wie zich met wilde dieren inlaat, is gedwongen zich onder te dompelen in hún wereld en moet veel tijd besteden om ze te vinden en te bestuderen. Kennelijk is dat zoeken naar de ware aard van je onderwerp een specialisme – althans in het perspectief van kunsthistorici.” Dode en opgezette dieren (balgen) zijn nog altijd belangrijke hulpmiddelen voor een dierschilder, vindt Shillcock. „Maar het arsenaal heeft zich flink uitgebreid: fotografie, film en sinds kort ook video helpen kunstenaars bij het bestuderen van vooral de beweging van dieren en de vlucht van vogels.” In zijn ogen is goede kunst niet afhankelijk van schilderwijze of stijl. „Of het nu om werk gaat dat gemaakt is in een droge, gedetailleerde techniek of met een smeuïge impressionistische toets, het moet aan één en dezelfde eis voldoen: artistieke kwaliteit moet doorslaggevend zijn. Niet het materiaal noch de methode, maar persoonlijke visie, de intentie oorspronkelijk en persoonlijk te willen zijn, in combinatie met vakmanschap en het vermogen al deze aspecten bijeen te brengen in een balans tussen concept en uitvoering, leidt tot werk dat bestaansrecht heeft.

ROBERT J. KOENKE, van 1982 tot het voorjaar van 2005 het gezicht van het Amerikaanse magazine
Wildlife Art vindt ”wildlife art”, net als andere kunst, een interpretatie van de werkelijkheid. „Die interpretatie wordt ontleend aan twee belangrijke componenten. Allereerst de aantoonbare aspecten –formaat, gewicht, anatomie, kleur, belichting, leefomgeving, enzovoort– die het onderwerp van de kunstenaar bepalen. Daarnaast de verbeelding(skracht) van de kunstenaar. Als deze facetten ontbreken is het werk platvloers en alledaags.” Het omzetten van een idee in een tekening, beeld of schilderij vereist volgens hem technische vaardigheden. „Vakkennis en een volledige beheersing van het medium alleen zijn echter ontoereikend om kunst van blijvende waarde te creëren.” Opvallend is hoe persoonlijker de kunstenaar betrokken is bij het onderwerp, hoe waardevoller en indrukwekkender zijn werk is, aldus Koenke. „Veelzeggende kunst welt uit iemands innerlijke bron van ervaringen. Talentvolle wildlife-kunstenaars brengen talloze uren door in de natuur en zijn ook zeer deskundig op dat gebied.”

DAVID H. TRAPNELL, stichter van het Engelse museum
NATURE IN ART, weet uit ervaring dat het hedendaagse publiek steeds meer het verschil ontdekt tussen echte kunst en louter technisch kunstenaarstalent. „Als een kunstenaar op een bekwame manier met enkele klodders verf op het doek detaillering kan suggereren, kan dat echte kunst opleveren. Dát ziet de toeschouwer. Het hoeft niet allemaal superfotografisch te zijn om indruk te maken.” Wat is het hart en het wezen van echte kunst? Wat is het verschil tussen een foto en een schilderij? Is fotorealisme noodzakelijkerwijs echte kunst? Trapnell stelt bewust deze vragen om ook kunstenaars aan het denken te zetten. „Velen willen ons doen geloven dat ”wildlife art” geen echte kunst, maar niets anders is dan een ”illustratie”. Volgens Henry Moore, een Britse abstracte beeldhouwer (° 1898 - † 1986), moet kunst iets mysterieus hebben, zeker als de toeschouwer vertrouwd is met het geportretteerde onderwerp. Als het werk in één oogopslag kan worden begrepen, is er dan een wezenlijk verschil met een foto? Versterkt een impressionistische of abstracte techniek het gevoel van mysterie en stimuleert het kritisch onderzoek? Wie naar kunst kijkt, moet overdenken of het uitnodigt tot ontdekking en onderzoek. Elk kunstwerk –twee- of driedimensionaal– moet de verbeelding stimuleren en het gevoel van onderzoek opwekken. Daarnaast moet het nieuw en origineel zijn. Te vaak is het te gewoon en is er sprake van een matige compositie, al is het onderwerp extreem gedetailleerd uitgewerkt.”

ROBERT BATEMAN", door velen beschouwd als de nummer 1 van de hedendaagse ”wildlife artists”, vindt iets pas kunst als het de ziel raakt. „Het getoonde moet prikkelend en opvallend zijn. Of het nu realistisch, impressionistisch of abstract is”, zegt de Canadese kunstschilder. „Je maakt een schilderij absoluut niet spannend door het onderwerp precies in het midden te plaatsen. Een goede compositie –meestal het tegenoverstelde van een ”spiegelei”– trekt de ogen juist naar de randen.” Met bewondering spreekt Bateman over BRUNO LILJEFORS. „Hoewel hij vaak dezelfde voorwerpen schilderde, bleef Liljefors verfrissend. Zijn compositie bleef onvoorspelbaar en verrassend. Liljefors toont ook durf. Hij kon veel doen met een enkele verfstreek. Zo maak je een meesterwerk. Hoe vaak je ook naar zijn schilderijen kijkt, het voelt telkens of je ze voor de eerste keer ziet!”

Modernistisch ingestelde kunstcritici waren lang geneigd ”wildlife art”, omdat het vaak figuratief is, louter als plaatjesmakerij te betitelen. Realistisch werk krijgt echter meer en meer erkenning. Dat neemt niet weg dat veel wat onder de noemer ”wildlife art” wordt getoond in werkelijkheid niet meer dan een illustratie is. Daar hoeft niet geringschattend over te worden gedaan. Bij velen kwam de belangstelling voor flora en fauna door illustraties van dieren en planten tot grote bloei!

Bovendien blijft het moeilijk een strikte scheiding tussen de ”vrij scheppende kunstenaar” en de ”broodtekenaar” aan te brengen. „Een glibberig terrein”, aldus Robin D’Archy Shillcock. „Hoe moet je een kunstenaar onderbrengen, die ook boekillustraties maakt? Ga je bij het onderscheid uit van de persoon, het werk of de beperkingen: opgelegd van buitenaf of door de kunstenaar zelf?”

Foto's:© Birgit Freybe Bateman