ZKH PRINS BERNHARD (° 1911 - † 2004) kon bewonderd worden om zijn
levensdrift. In de zomer van 2003 reisde hij naar Zuid-Afrika om samen met
Nelson Mandela (° 1918) het Marakele National Park te openen. Dat was de
laatste safari van de prins. Zijn avontuurlijke leven begon op 28 juni
1911 in Jena (Duitsland). De oudste zoon van prins Bernhard zur Lippe (°
1872 - † 1934) en barones Armgard von Sierstorpff-Cramm (° 1883 - †
1971) bracht zijn jeugd door op het ouderlijk landgoed Reckenwalde in
Oost-Pruisen (tegenwoordig Woynowo, Polen), vlakbij de stad Züllichau
(tegenwoordig Sulechow). Na zijn studie kwam de prins in dienst van het
Duitse chemieconcern I.G. Farben. Na een inwerkperiode werd hij in 1935
directiesecretaris bij de Parijse vestiging van dit bedrijf. Deze functie
vervulde hij tot hij zich op 8 september 1936 verloofde met prinses
Juliana der Nederlanden (° 1909 - † 2004), de Nederlandse
troonopvolgster. Op 27 november van dat jaar verkreeg prins Bernhard bij
wet het Nederlanderschap. Op 7 januari 1937 trad hij in het huwelijk met
de prinses. Het paar nam zijn intrek in Paleis Soestdijk. Op 4 september
1948 volgt prinses Juliana haar moeder als Koningin der Nederlanden op.
Vanaf dat moment tot aan de troonsafstand door koningin Juliana in 1980
voerde prins Bernhard de titel ”de Prins der Nederlanden”. Zijn vrouw
overleed op 20 maart 2004 op 94-jarige leeftijd.
Dat ZKH over een sterk gestel beschikte, bleek uit een waslijst van ziektes
die hij in zijn hele leven wist te overwinnen. Het aantal operaties dat
hij in zijn lange leven moest ondergaan, is nauwelijks te tellen. Bijna
ieder onderdeel van zijn lichaam was onder het mes geweest. Amerikaanse
artsen die hem in 1952 onderzochten, gaven de prins nog hooguit acht jaar
te leven. ZKH heeft die voorspelling gelogenstraft, al scheelde het soms
niet veel. „Het is een samenkomst van alles: de wil om te leven, werk
hebben dat plezier doet”, zei de prins over zijn overleven. „Ik heb
het genoegen dat de kinderen en kleinkinderen de oude heer komen opzoeken,
wat onder normale gezinnen relatief niet zoveel gebeurt. Enfin, dat vind
ik ontzettend leuk natuurlijk. Dus al die dingen samen even je genoeg om
te zeggen: we gaan door. Maar één keer zal het toch gebeuren. Doodgaan
heb je maar te accepteren.”
Kritiek werd het toen de prins na een darmoperatie in 1994 last kreeg van
complicaties en door een shocklong in levensgevaar verkeerde. In mei en
september 1999 moest hij opnieuw operaties ondergaan, aan zijn luchtpijp.
In december 2000 werd een kleine kwaadaardige tumor verwijderd aan de
linkerkant van zijn borstkas. De prins verbleef slechts één dag in het
ziekenhuis en kon daarna weer naar Soestdijk. In november 2004 werd bij
medisch onderzoek opnieuw een kwaadaardige tumor zowel bij de longen als
in de darmen vastgesteld. De behandelende artsen lieten weten dat opereren
geen zin had. Op 1 december overleed hij op 93-jarige leeftijd.
Uit het huwelijk werden vier dochters geboren: Beatrix (° 1938), Irene (°
1939), Margriet (° 1943) en Christina (° 1947). Daarnaast had de prins
twee buitenechtelijke dochters: de Amerikaanse Alicia (± ° 1954) en de
Française Alexia (° 1967). Hij onthulde dat tijdens negen
vraaggesprekken met De Volkskrant, gehouden tussen januari 2001 en
juni 2004, en gaf ook toe dat hij
jarenlang een relatie heeft onderhouden met een vrouw, die hij in de
Tweede Wereldoorlog in Engeland leerde kennen. Ook hier was koningin
Juliana van op de hoogte. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het hier om de
in 1996 overleden Lady Ann Orr Lewis, bij wie de prins twee zonen zou
hebben verwekt. Over die zonen heeft de historicus Jan Kikkert
gepubliceerd. Volgens de prins heeft de „nephistoricus” dat en vele
andere zaken allemaal uit zijn duim gezogen. ZKH zag en accordeerde alle
uitgewerkte Volkskrant-teksten en bedong dat de
interviews pas na zijn dood gepubliceerd werden. Van het verslag van de
gesprekken bracht het dagblad op 14 december 2004 een speciale bijlage uit
en bij uitgeverij Balans verscheen het boek ”De prins spreekt”. Pieter
Broertjes en Jan Tromp, respectievelijk hoofdredacteur en redacteur van de
Volkskrant, benadrukten dat hun publicatie het verhaal van de prins is.
„Het is zijn waarheid. We hebben niet alles gecheckt.”
De prins lijkt in elk geval schoon schip te hebben gemaakt. Tegen dominee
Carel ter Linden zei hij: „Van mijn vader heb ik geleerd wat goed is en
niet goed, en dat komt eigenlijk op een paar dingen neer. Ik heb voor mijn
gevoel weinig in mijn leven gedaan waarvan ik zeg: dat was tegen de regels
van mijn vader in. Er waren dingen waarvan ik achteraf zeg: dat was stom.
En dingen waarvan ik achteraf zeg: dat was fout, heb ik geprobeerd zo veel
mogelijk te herstellen. Mijn geweten liet me niet met rust als ik een fout
niet mocht herstellen.”
De levensgenieter speelde op veel terreinen een belangrijke rol. Doelend op
zijn naoorlogse promotierol voor bedrijfsleven en natuurbehoud noemde
prins Bernhard zich in 1995 „de grootste bedelaar van Nederland”. De
vele honderden organisaties waarvan hij beschermheer, erevoorzitter,
buitengewoon commissaris of erelid was, vormden een staalkaart van de
Nederlandse samenleving.
De prins was regent van het Prins Bernhard Fonds, dat hij in 1940 te Londen
stichtte. De aanvankelijke bedoeling van het Fonds was geld bijeen te
brengen om de oorlogsinspanningen van de geallieerden te ondersteunen. Na
de oorlog verandert deze doelstelling in de ondersteuning van cultuur,
wetenschap en natuurbehoud in Nederland. In 1999 werd de naam van het
fonds gewijzigd in Prins Bernhard Cultuurfonds. De prins reikte jaarlijks
geldprijzen uit aan kunstenaars en wetenschappers en elke zomer
overhandigde hij de Zilveren Anjer aan mensen die zich langdurig
vrijwillig hebben ingezet op cultureel gebied.
Prins Bernhard riep in 1971 de Orde van de Gouden Ark in het leven om personen
te onderscheiden die zich bijzonder verdienstelijk maken voor het behoud
van de wilde flora en fauna. Zelf was hij zeer actief betrokken bij
natuurbehoud. „De liefde voor de natuur zit gewoon in de familie”,
vertelde ZKH ooit aan het damesblad Margriet. Het meest van alles zag de
prins dat terug bij zijn dochter Irene, die met dolfijnen en bomen praat.
In hetzelfde tijdschrift noemde hij zich een realist. „Je zou me een
idealist kunnen noemen in die zin dat ik me ethisch en moreel verbind aan
alles wat ik zeg en wil. En dat we –en dan bedoel ik mezelf, mijn
vrienden en andere gelijkgestemden– voor de natuur moeten blijven
vechten, want als we dat niet doen, gaat de wereld onherroepelijk ten
onder.”
In 1960 gaf prins Bernhard samen met de natuurschilder Peter Markham Scott (°
1909 - † 1989) en enkele anderen de aanzet tot oprichting van het World
Wide Fund for Nature (WWF), dat in die dagen nog World Wildlife Fund
heette en zich nog steeds richt op natuurbehoud, waar ook ter wereld. Een
jaar later, op 11 september, werd de prins benoemd tot ”Founder`-President”.
In die hoedanigheid bezocht hij regelmatig landen in Azië, Afrika en Zuid-Amerika
om daar zijn strategische visie te verkondigen: richt de aandacht niet
alleen op een enkel dier, maar kijk naar het totaalplaatje.
Dankzij zijn enorme netwerk aan contacten slaagde de prins erin een sterke
natuurorganisatie op te bouwen. De ”Flying Prince of Conservation”
moest niet veel hebben van stijve formaliteiten en was volgens insiders
een effectieve en goedlachse voorzitter van vergaderingen, ook wanneer
daarin meningen uiteen liepen. Zijn
stevige lobby resulteerde in 1975 tot de Convention on International Trade
in Endangered Species of wild fauna and flora (CITES). Deze
overeenkomst, die inmiddels door 143 landen is ondertekend, probeert de
handel in bedreigde dieren en planten te reguleren.
Prins Bernhard was de eerste man bij het WWF totdat het Lockheed-schandaal hem
opbrak. In 1976 raakte hij in opspraak vanwege steekpenningen die hij had
aangenomen van de Amerikaanse vliegtuigfabrikant. ZKH zou in een
vraaggesprek met Martin van Amerongen (° 1941 - † 2002) hebben
toegegeven dat hij het smeergeld had ontvangen. „Ik heb altijd veel geld
verdiend, dus dat miljoen van Lockheed had ik niet nodig. Hoe heb ik zo
stom kunnen zijn?”, aldus de prins in een interview, dat op 8 december
2004 verscheen in De Groene Amsterdammer, het opinieweekblad waarvan Van
Amerongen vanaf 1985 hoofdredacteur was. De journalist, een van de
oprichters van het Republikeins Genootschap, beweerde dat hij prins
Bernhard tussen 1995 en 2002 regelmatig had gesproken over de nazi-tijd,
de Lockheed-affaire, de sjah van Perzië, het WWF, de gierigheid van rijke
mensen en ”de hermelijnvlooien en pluimstrijkers” om de prins heen.
Van Amerongen verwerkte die pas kort voor zijn dood in zijn artikel ”In
Memoriam”. Dat mocht pas verschijnen na het overlijden van de Prins.
De aan ZKH toegeschreven bewering dat hij het geld van Lockheed voor het WWF
zou hebben gevraagd, kwam echter op losse schroeven te staan door de
eerder genoemde Volkskrant-publicatie van 14 december 2004. Daarin zegt
prins Bernhard dat hij 750.000 dollar aan zijn goede vriend en voormalig
vertegenwoordiger van Lockheed Fred Meuser heeft gegeven. De resterende
250.000 dollar heeft hij anoniem weggeschonken. De prins erkende dat hij
stom is geweest om later nog eens een miljoen dollar commissiegeld aan
Lockheed te vragen. Het geld wilde hij besteden aan het WWF. „Die
brieven waren een idee van Fred Meuser, die mij later helemaal belazerd
heeft. Hij stelde ze samen met de advocaat van Lockheed op. Maar toen het
uitkwam dacht ik: My foot! Nou hang ik. Wie gelooft dat ik dat miljoen
wilde hebben voor het WWF?” De prins vroeg koningin Juliana nooit om
advies over zijn contacten met Lockheed, zegt hij. „Mijn vrouw zou
gezegd hebben: als het voor het WWF is, moet je het doen. Ik bedoel: zij
zou de laatste in de wereld zijn geweest die ik zo’n vraag zou hebben
voorgelegd. Op het financiële vlak was zij altijd een babe in the woods.”
De prins beschouwde overigens het fonds van het WWF als een particuliere
aangelegenheid, waarmee de regering niets te maken had. Zo was er ook geen
controle op de sommen geld die uit nevenfuncties van de prins werden
doorgesluisd naar het WWF en de Thousand & One Club, die ZKH (als
number One)in 1971 in het
leven had geroepen en waarvan duizend vermogende filantropen (m/v) ŕ
raison van 10.000 dollar levenslang lid werden (inmiddels is de
contributie opgelopen tot 25.000 dollar).
Prins Bernhard moest het veld ruimen bij het WWF en werd in 1977 opgevolgd door
jonkheer John H. Loudon, die aan het roer van Shell had gestaan. Achter de
schermen bleef hij evenwel een machtige man, al was het alleen maar door
de controle over zijn 1001-club.
Project
Lock was een andere kwestie die een smet op zijn blazoen wierp. Onder de
kop ”Het wereld natuur leger” deed De Groene Amsterdammer eind 1997
een boekje open over deze kwestie. Begin 1989 had de prins 500.000 pond
van het WWF gekregen voor een speciaal anti-stropersproject in Zuid-Afrika.
De paramilitaire commando’s die de illegale handel in ivoor en hoorn een
halt moesten toeroepen, hielden zich al snel bezig met eigen
smokkellijnen. De buitenwereld hoorde voor het eerst over deze praktijken
van het geheime legertje van de prins in 1991. Het Nederlandse WNF,
waarvan hij nog altijd president was, ontkende iedere betrokkenheid bij
Project Lock. Het ging om een privé-actie van de prins, die er volgens de
Rijksvoorlichtingsdienst een slordige twee miljoen gulden aan ”eigen
vermogen” in zou hebben gestoken. In Nederland nam iedereen genoegen met
die uitleg. Elders in wereld leden pogingen van journalisten om deze zaak
aan de grote klok te hangen, tot nu toe schipbreuk.
Tegen het schieten op dieren had de prins geen bezwaar; hij deed het regelmatig.
Zelfs tijdens zijn actieve jaren voor het WWF en WNF. Prof. dr. Karel
Hendrik Voous (° 1920 - † 2002) rept over dat onderwerp geen woord in
het boekje ”Prins Bernhard als natuurbeschermer”, dat ter gelegenheid
van de 75e verjaardag van de prins verscheen. Ans Herenius-Kamstra, die
enkele boeken over het Koninklijk Huis op haar naam heeft staan, zei
echter openlijk dat ZKH in ”Afrika” met vrienden een boerderij huurde
met een stuk grond om zoveel mogelijk trofeeën te vergaren. Ed Nijpels,
tussen 1991 en 1999 voorzitter van het WNF, plakte daar een vergoelijkend
commentaar tegenaan: „Hij deed dat niet voor de lol maar om het
ecologisch evenwicht.” Tijdens een interview met het televisieprogramma
NOS Actueel naar aanleiding van zijn 90e verjaardag verwoordde
de prins het zo: „Je moet selectie hebben en om die selectie te hebben
ga je de zwakke of de slechte afschieten. Dat is jacht. Dat heeft
eigenlijk niets met plezier te maken, dat is bijna zou je zeggen plicht
doen.”
Die opvatting klonk eind september ook door in zijn warme gelukwensen aan de
Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging, waarvan hij 58 jaar
beschermheer was. „Moge de 100‑jarige KNJV zich ook in de toekomst
bewust blijven van het feit dat haar leden net als vroeger zich
verantwoordelijk voelen voor de natuur in ons land.” In het licht
daarvan wenste de prins de vereniging nog een lange en voorspoedige
toekomst.
Toen het WNF begin 2003 aangaf geen bezwaar te hebben tegen de jacht op
zadelrobben en klapmutsen in Canada, verloor de natuurorganisatie niet
alleen tientallen donateurs maar ook de steun van haar koninklijke
boegbeeld. De prins belde persoonlijk SP-parlementslid Krista van Velzen
om te zeggen dat hij zich ook kantte tegen de „afschuwelijke
jachtmethode”. Die knuppelslag kwam aan!
Toch genoot prins Bernhard tijdens het jagen in binnen- en buitenland. „De
uren in het jachtveld doorgebracht, behoren tot mijn mooiste
herinneringen”, schreef hij al in 1947 in het jagerswoordenboek van de
Rotterdamse chirurg A. G. J. Hermans. Van recenter datum is de volgende
ontboezeming. „We hebben heel wat goede tijden samen gehad tijdens het
schieten en filmen in Afrika, en het uitwisselen van onze ervaringen.”
Die openhartige ”introductie” is te lezen in ”On Safari with Bwana
Game”, waarin Eric Balson niets verhullend verslag doet van zijn
belevenissen met ”PB”. In woord én beeld. De jachtopziener in
Tanzania ontmoette hem in 1961 voor het eerst en het klikte tussen die
twee. De prins vloog met zijn vrienden (kolonel) Coen Geertsema en Hans
Teengs Gerritsen en voldoende blikjes Heineken bijna jaarlijks naar de
jachtvelden. Waarbij de levensgenieter zelf de stuurknuppel in handen had.
In de beginjaren van een Dakota DC3 en later ook die van de Fokkers van de
regering.
Balson regelde vooraf bij ‘zijn’ president speciale vergunningen, zodat de
gasten konden ”oogsten” wat ze wilden. De prins benutte overigens niet
alle kansen om het Afrikaanse groot wild te schieten, maar toonde zich ook
tevreden met het nemen van foto’s of het opnemen van geluiden. De
kiekjes, vele in kleur, bewijzen evenwel dat ZKH in ieder geval een
buffel, krokodil, impala, leeuw en een door stropers verwonde
olifantenstier de kogel gaf. Daarover deed hij nooit geheimzinnig. Balson
beschrijft ook herhaaldelijk de prinselijke gewoonte om dagelijks,
klokslag twaalf uur, een toast op zijn vrouw, koningin Juliana, uit te
brengen. Het gezelschap beleefde hilarische en soms zelfs gevaarlijke
momenten. Binnen een tijdsbestek van vier dagen werden de heren vijf keer
aangevallen door een luipaard, buffel, krokodil, nijlpaard en weer
dezelfde krokodil. Balson overhandigde deze uitgave van Safari Press
november 2003 hoogstpersoonlijk aan prins Bernhard op Soestdijk. In het
bijzijn van Lodewijk (”Ludo”) Wurfbain, Nederlander en eigenaar van
deze grootste uitgeverij van jachtboeken in de VS.
Om het belang van de natuurbescherming onder de aandacht van het brede
publiek te brengen, was de prins geen moeite te veel. Diverse natuurboeken
voorzag hij van een aanbevelend voorwoord. Regelmatig stond hij door hem
gemaakte films af voor televisieprogramma’s ter ondersteuning van
inzamelingacties.
Diverse keren maakte prins Bernhard zich sterk voor de toekomst van de olifant. In
de jaren ’80 van de vorige eeuw halveerde de olifantenpopulatie in
Afrika tot minder dan 600.000 dieren als gevolg van grootschalige
stroperij. In 1989, het jaar dat een wereldwijd handelsverbod op ivoor kon
worden afgekondigd, bezocht hij met toenmalig WNF-directeur Niels
Halbertsma in enkele dagen tijd de presidenten van Kenia, Zimbabwe,
Zambia, Malawi en Tanzania om een eind aan deze praktijken te maken. De
staatshoofden probeerde hij te overtuigen met het argument dat wildparken
goed waren voor buitenlandse valuta.
De feestelijke heropening van het Marakele National Park op 28 augustus 2003
brachten zowel zijn diplomatieke woorden als een geloof in de toekomst
deels in vervulling. Samen met oud-president Mandela zag prins Bernhard
wat zijn vermogende vriend Paul Fentener van Vlissingen (° 1941) met zijn
organisatie Afrika Parks probeert te bewerkstellingen: verwaarloosde
natuurparken opknappen en mensen in Afrika aan een baan helpen.
Als ”honorary patron” van de Peace Parks Foundation ondertekende de prins
op 27 november 2003 op Soestdijk mede een intentie tot samenwerking met
het WWF. Peace Parks nam de afgelopen jaren diverse initiatieven in Zuid-Afrika,
onder andere de oprichting van het Great Limpopo Trans Frontier Park in de
voormalige conflictgebieden Zuid-Afrika, Mozambique en Zimbabwe. Dankzij
dit grensoverschrijdende natuurgebied, waar ook het bekende Kruger Park
deel van uitmaakt, verdwenen de hekken tussen deze landen zodat vooral
olifanten meer levensruimte krijgen. Het arme Mozambique, dat dankzij dit
nieuwe wildreservaat een economische impuls verwacht, meende prins
Bernhard daarvoor al in 2002 te moeten bedanken. De PTT van dit Afrikaanse
land gaf een serie postzegels uit met daarop vier privé-foto’s van de
prins. Voor deze keer geen jachtfoto’s…
Prins Bernhard droeg vooral de olifant een warm hart toe. Reden waarom
Diergaarde Blijdorp in 1984 het eerste olifantenkalf dat in een
Nederlandse dierentuin geboren werd, Bernhardine noemde. „Olifanten
hebben iets mystieks”, vond de prins. Zijn passie voor deze dikhuiden
ontstond tijdens een safari in 1960. Bij het krieken van de dag stond Bernhard voor zijn tent plotseling oog in oog
met een kolossale stier. Hoewel olifanten niet ongevaarlijk zijn, stak de
prins voorzichtig zijn hand uit om contact te zoeken. Het beest bleef
echter op veilige afstand. De volgende dag herhaalde het tafereel zich.
Het dier kwam iets dichterbij. Op de derde dag legde de bul volgens
Bernhard zijn slurf in zijn uitgestoken hand. Vanaf dat moment sloot prins
Bernhard de olifant in zijn hart. De bewondering vond een uitlaatklep in een verzameling olifantenbeelden, die
meer dan duizend stuks telde. Hij beschikte over (vermoedelijk) de
grootste collectie ter wereld: miniatuurtjes
en grote beelden, gebruiksvoorwerpen en sierstukken, uiterst kostbare
kunstvoorwerpen en simpel massagoed, realistisch en abstract. De
objecten stonden niet alleen in zijn werkkamer, maar in alle hoeken en
gaten van paleis Soestdijk. De liturgie van de rouwdienst voor prins
Bernhard in Delft sloot met een reproductie van een tekening van zijn
eigen hand. Het betrof een schets van de achterkant van een Afrikaanse
olifant in 1991. Onder de tekening schreef de prins: „I hope that he can
walk in Peace!”
Op een schilderij van JAN HERMELER (° 1935- † 1995), die diverse
jaren in Kenia woonde en werkte, staan de dikhuiden eveneens afgebeeld.
Het schilderij hangt, evenals het schilderij”Endangered Spaces -
Grizzly”van Robert Bateman
in Paleis Soestdijk. Ook andere buitenlandse ”wildlife artists” kon
ZKH tot zijn vrienden rekenen, zoals David Shepherd (° 1931), die door de
Grootmeester in 1973 werd benoemd tot officier in de Orde van de Gouden
Ark. En zijn WWF-kameraad sir Peter Scott, die het beroemde panda-logo
ontwierp en ook enige tijd voorzitter was van de Society for Wildlife Art
of the Nations (SWAN). Deze vereniging is eigenaar van het museum
NATURE
IN ART vlakbij de Engelse stad Gloucester.
In diverse publicaties gaf prins Bernhard er blijk van een liefhebber van
”wildlife art” te zijn. Ook liet hij januari 2004 weten „veel
waardering” te hebben voor het initiatief om www.wildlife-art.nl
te lanceren en gaf direct toestemming in de toekomst een selectie van zijn
privé-collectie op de website te tonen. Werken van RIEN
POORTVLIET, HENDRIK J. SLIJPER
en HANS BULDER
maken daar deel van uit. Zo schilderde
laatstgenoemde in 1981 in opdracht van het Koninklijk Jachtdepartement
”Bolderende korhanen op de Asselsche heide”. Het doek werd de prins
aangeboden ter gelegenheid van zijn 70e verjaardag. In de
hommage ”Prins Bernhard als natuurbeschermer”, die vijf jaar later
werd gepubliceerd, toonden behalve de fotografen Fred F. Hazelhoff en
Herman Stegeman de volgende Nederlandse kunstenaars hun werk:
MARJOLEIN BASTIN,
KEES BOS,
HANS BULDER,
AD CAMERON,
WALTY DUDOK VAN HEEL, Mia Grosfeld,
DICK VAN HEERDE,
MARIUS KOLVOORT, Heleen Ledeboer-Van Vuure, Inge van Noortwijk,
ERIK VAN OMMEN,
RIEN POORTVLIET,
KEES VAN SCHERPENZEEL,
ROBIN D’ARCY SHILLCOCK,
HENK J. SLIJPER,
PIETER VERSTAPPEN,
JAN WEENINK en Dolf Wong.
Gerda van Gijzel (° 1939), die vooral grote faam
opbouwde als mode-illustratrice, kwam in 1988 in contact met de Prins. Het
idee onstond om een serie portretten van hem te maken. Op enkele van de in
totaal zestien aquarellen bracht de in Amsterdam geboren tekenares zijn
nauwe betrokkenheid met de natuur tot uitdrukking.
Gerda M. Dik-Kager, weduwe van PIETER DIK,
in gesprek met prins Bernhard tijdens de ”wildlife
art”-tentoonstelling ter gelegenheid van diens 75e verjaardag
in het Singer Museum te Laren.