ZKH PRINS BERNHARD (° 1911 - † 2004)
collectioneurs

ZKH PRINS BERNHARD (° 1911 - † 2004) kon bewonderd worden om zijn levensdrift. In de zomer van 2003 reisde hij naar Zuid-Afrika om samen met Nelson Mandela (° 1918) het Marakele National Park te openen. Dat was de laatste safari van de prins. Zijn avontuurlijke leven begon op 28 juni 1911 in Jena (Duitsland). De oudste zoon van prins Bernhard zur Lippe (° 1872 - † 1934) en barones Armgard von Sierstorpff-Cramm (° 1883 - † 1971) bracht zijn jeugd door op het ouderlijk landgoed Reckenwalde in Oost-Pruisen (tegenwoordig Woynowo, Polen), vlakbij de stad Züllichau (tegenwoordig Sulechow). Na zijn studie kwam de prins in dienst van het Duitse chemieconcern I.G. Farben. Na een inwerkperiode werd hij in 1935 directiesecretaris bij de Parijse vestiging van dit bedrijf. Deze functie vervulde hij tot hij zich op 8 september 1936 verloofde met prinses Juliana der Nederlanden (° 1909 - † 2004), de Nederlandse troonopvolgster. Op 27 november van dat jaar verkreeg prins Bernhard bij wet het Nederlanderschap. Op 7 januari 1937 trad hij in het huwelijk met de prinses. Het paar nam zijn intrek in Paleis Soestdijk. Op 4 september 1948 volgt prinses Juliana haar moeder als Koningin der Nederlanden op. Vanaf dat moment tot aan de troonsafstand door koningin Juliana in 1980 voerde prins Bernhard de titel ”de Prins der Nederlanden”. Zijn vrouw overleed op 20 maart 2004 op 94-jarige leeftijd.

Dat ZKH over een sterk gestel beschikte, bleek uit een waslijst van ziektes die hij in zijn hele leven wist te overwinnen. Het aantal operaties dat hij in zijn lange leven moest ondergaan, is nauwelijks te tellen. Bijna ieder onderdeel van zijn lichaam was onder het mes geweest. Amerikaanse artsen die hem in 1952 onderzochten, gaven de prins nog hooguit acht jaar te leven. ZKH heeft die voorspelling gelogenstraft, al scheelde het soms niet veel. „Het is een samenkomst van alles: de wil om te leven, werk hebben dat plezier doet”, zei de prins over zijn overleven. „Ik heb het genoegen dat de kinderen en kleinkinderen de oude heer komen opzoeken, wat onder normale gezinnen relatief niet zoveel gebeurt. Enfin, dat vind ik ontzettend leuk natuurlijk. Dus al die dingen samen even je genoeg om te zeggen: we gaan door. Maar één keer zal het toch gebeuren. Doodgaan heb je maar te accepteren.”

Kritiek werd het toen de prins na een darmoperatie in 1994 last kreeg van complicaties en door een shocklong in levensgevaar verkeerde. In mei en september 1999 moest hij opnieuw operaties ondergaan, aan zijn luchtpijp. In december 2000 werd een kleine kwaadaardige tumor verwijderd aan de linkerkant van zijn borstkas. De prins verbleef slechts één dag in het ziekenhuis en kon daarna weer naar Soestdijk. In november 2004 werd bij medisch onderzoek opnieuw een kwaadaardige tumor zowel bij de longen als in de darmen vastgesteld. De behandelende artsen lieten weten dat opereren geen zin had. Op 1 december overleed hij op 93-jarige leeftijd.

Uit het huwelijk werden vier dochters geboren: Beatrix (° 1938), Irene (° 1939), Margriet (° 1943) en Christina (° 1947). Daarnaast had de prins twee buitenechtelijke dochters: de Amerikaanse Alicia (± ° 1954) en de Française Alexia (° 1967). Hij onthulde dat tijdens negen vraaggesprekken met De Volkskrant, gehouden tussen januari 2001 en juni 2004, en gaf ook toe dat hij jarenlang een relatie heeft onderhouden met een vrouw, die hij in de Tweede Wereldoorlog in Engeland leerde kennen. Ook hier was koningin Juliana van op de hoogte. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het hier om de in 1996 overleden Lady Ann Orr Lewis, bij wie de prins twee zonen zou hebben verwekt. Over die zonen heeft de historicus Jan Kikkert gepubliceerd. Volgens de prins heeft de „nephistoricus” dat en vele andere zaken allemaal uit zijn duim gezogen. ZKH zag en accordeerde alle uitgewerkte Volkskrant-teksten en bedong dat de interviews pas na zijn dood gepubliceerd werden. Van het verslag van de gesprekken bracht het dagblad op 14 december 2004 een speciale bijlage uit en bij uitgeverij Balans verscheen het boek ”De prins spreekt”. Pieter Broertjes en Jan Tromp, respectievelijk hoofdredacteur en redacteur van de Volkskrant, benadrukten dat hun publicatie het verhaal van de prins is. „Het is zijn waarheid. We hebben niet alles gecheckt.”

De prins lijkt in elk geval schoon schip te hebben gemaakt. Tegen dominee Carel ter Linden zei hij: „Van mijn vader heb ik geleerd wat goed is en niet goed, en dat komt eigenlijk op een paar dingen neer. Ik heb voor mijn gevoel weinig in mijn leven gedaan waarvan ik zeg: dat was tegen de regels van mijn vader in. Er waren dingen waarvan ik achteraf zeg: dat was stom. En dingen waarvan ik achteraf zeg: dat was fout, heb ik geprobeerd zo veel mogelijk te herstellen. Mijn geweten liet me niet met rust als ik een fout niet mocht herstellen.”

De levensgenieter speelde op veel terreinen een belangrijke rol. Doelend op zijn naoorlogse promotierol voor bedrijfsleven en natuurbehoud noemde prins Bernhard zich in 1995 „de grootste bedelaar van Nederland”. De vele honderden organisaties waarvan hij beschermheer, erevoorzitter, buitengewoon commissaris of erelid was, vormden een staalkaart van de Nederlandse samenleving.

De prins was regent van het Prins Bernhard Fonds, dat hij in 1940 te Londen stichtte. De aanvankelijke bedoeling van het Fonds was geld bijeen te brengen om de oorlogsinspanningen van de geallieerden te ondersteunen. Na de oorlog verandert deze doelstelling in de ondersteuning van cultuur, wetenschap en natuurbehoud in Nederland. In 1999 werd de naam van het fonds gewijzigd in Prins Bernhard Cultuurfonds. De prins reikte jaarlijks geldprijzen uit aan kunstenaars en wetenschappers en elke zomer overhandigde hij de Zilveren Anjer aan mensen die zich langdurig vrijwillig hebben ingezet op cultureel gebied.

Prins Bernhard riep in 1971 de Orde van de Gouden Ark in het leven om personen te onderscheiden die zich bijzonder verdienstelijk maken voor het behoud van de wilde flora en fauna. Zelf was hij zeer actief betrokken bij natuurbehoud. „De liefde voor de natuur zit gewoon in de familie”, vertelde ZKH ooit aan het damesblad Margriet. Het meest van alles zag de prins dat terug bij zijn dochter Irene, die met dolfijnen en bomen praat. In hetzelfde tijdschrift noemde hij zich een realist. „Je zou me een idealist kunnen noemen in die zin dat ik me ethisch en moreel verbind aan alles wat ik zeg en wil. En dat we –en dan bedoel ik mezelf, mijn vrienden en andere gelijkgestemden– voor de natuur moeten blijven vechten, want als we dat niet doen, gaat de wereld onherroepelijk ten onder.”

In 1960 gaf prins Bernhard samen met de natuurschilder Peter Markham Scott (° 1909 - † 1989) en enkele anderen de aanzet tot oprichting van het World Wide Fund for Nature (WWF), dat in die dagen nog World Wildlife Fund heette en zich nog steeds richt op natuurbehoud, waar ook ter wereld. Een jaar later, op 11 september, werd de prins benoemd tot ”Founder`-President”. In die hoedanigheid bezocht hij regelmatig landen in Azië, Afrika en Zuid-Amerika om daar zijn strategische visie te verkondigen: richt de aandacht niet alleen op een enkel dier, maar kijk naar het totaalplaatje.

Dankzij zijn enorme netwerk aan contacten slaagde de prins erin een sterke natuurorganisatie op te bouwen. De ”Flying Prince of Conservation” moest niet veel hebben van stijve formaliteiten en was volgens insiders een effectieve en goedlachse voorzitter van vergaderingen, ook wanneer daarin meningen uiteen liepen. Zijn stevige lobby resulteerde in 1975 tot de Convention on International Trade in Endangered Species of wild fauna and flora (CITES). Deze overeenkomst, die inmiddels door 143 landen is ondertekend, probeert de handel in bedreigde dieren en planten te reguleren.

Prins Bernhard was de eerste man bij het WWF totdat het Lockheed-schandaal hem opbrak. In 1976 raakte hij in opspraak vanwege steekpenningen die hij had aangenomen van de Amerikaanse vliegtuigfabrikant. ZKH zou in een vraaggesprek met Martin van Amerongen (° 1941 - † 2002) hebben toegegeven dat hij het smeergeld had ontvangen. „Ik heb altijd veel geld verdiend, dus dat miljoen van Lockheed had ik niet nodig. Hoe heb ik zo stom kunnen zijn?”, aldus de prins in een interview, dat op 8 december 2004 verscheen in De Groene Amsterdammer, het opinieweekblad waarvan Van Amerongen vanaf 1985 hoofdredacteur was. De journalist, een van de oprichters van het Republikeins Genootschap, beweerde dat hij prins Bernhard tussen 1995 en 2002 regelmatig had gesproken over de nazi-tijd, de Lockheed-affaire, de sjah van Perzië, het WWF, de gierigheid van rijke mensen en ”de hermelijnvlooien en pluimstrijkers” om de prins heen. Van Amerongen verwerkte die pas kort voor zijn dood in zijn artikel ”In Memoriam”. Dat mocht pas verschijnen na het overlijden van de Prins.

De aan ZKH toegeschreven bewering dat hij het geld van Lockheed voor het WWF zou hebben gevraagd, kwam echter op losse schroeven te staan door de eerder genoemde Volkskrant-publicatie van 14 december 2004. Daarin zegt prins Bernhard dat hij 750.000 dollar aan zijn goede vriend en voormalig vertegenwoordiger van Lockheed Fred Meuser heeft gegeven. De resterende 250.000 dollar heeft hij anoniem weggeschonken. De prins erkende dat hij stom is geweest om later nog eens een miljoen dollar commissiegeld aan Lockheed te vragen. Het geld wilde hij besteden aan het WWF. „Die brieven waren een idee van Fred Meuser, die mij later helemaal belazerd heeft. Hij stelde ze samen met de advocaat van Lockheed op. Maar toen het uitkwam dacht ik: My foot! Nou hang ik. Wie gelooft dat ik dat miljoen wilde hebben voor het WWF?” De prins vroeg koningin Juliana nooit om advies over zijn contacten met Lockheed, zegt hij. „Mijn vrouw zou gezegd hebben: als het voor het WWF is, moet je het doen. Ik bedoel: zij zou de laatste in de wereld zijn geweest die ik zo’n vraag zou hebben voorgelegd. Op het financiële vlak was zij altijd een babe in the woods.”

De prins beschouwde overigens het fonds van het WWF als een particuliere aangelegenheid, waarmee de regering niets te maken had. Zo was er ook geen controle op de sommen geld die uit nevenfuncties van de prins werden doorgesluisd naar het WWF en de Thousand & One Club, die ZKH (als number One)in 1971 in het leven had geroepen en waarvan duizend vermogende filantropen (m/v) ŕ raison van 10.000 dollar levenslang lid werden (inmiddels is de contributie opgelopen tot 25.000 dollar).

Prins Bernhard moest het veld ruimen bij het WWF en werd in 1977 opgevolgd door jonkheer John H. Loudon, die aan het roer van Shell had gestaan. Achter de schermen bleef hij evenwel een machtige man, al was het alleen maar door de controle over zijn 1001-club.

Project Lock was een andere kwestie die een smet op zijn blazoen wierp. Onder de kop ”Het wereld natuur leger” deed De Groene Amsterdammer eind 1997 een boekje open over deze kwestie. Begin 1989 had de prins 500.000 pond van het WWF gekregen voor een speciaal anti-stropersproject in Zuid-Afrika. De paramilitaire commando’s die de illegale handel in ivoor en hoorn een halt moesten toeroepen, hielden zich al snel bezig met eigen smokkellijnen. De buitenwereld hoorde voor het eerst over deze praktijken van het geheime legertje van de prins in 1991. Het Nederlandse WNF, waarvan hij nog altijd president was, ontkende iedere betrokkenheid bij Project Lock. Het ging om een privé-actie van de prins, die er volgens de Rijksvoorlichtingsdienst een slordige twee miljoen gulden aan ”eigen vermogen” in zou hebben gestoken. In Nederland nam iedereen genoegen met die uitleg. Elders in wereld leden pogingen van journalisten om deze zaak aan de grote klok te hangen, tot nu toe schipbreuk.

Tegen het schieten op dieren had de prins geen bezwaar; hij deed het regelmatig. Zelfs tijdens zijn actieve jaren voor het WWF en WNF. Prof. dr. Karel Hendrik Voous (° 1920 - † 2002) rept over dat onderwerp geen woord in het boekje ”Prins Bernhard als natuurbeschermer”, dat ter gelegenheid van de 75e verjaardag van de prins verscheen. Ans Herenius-Kamstra, die enkele boeken over het Koninklijk Huis op haar naam heeft staan, zei echter openlijk dat ZKH in ”Afrika” met vrienden een boerderij huurde met een stuk grond om zoveel mogelijk trofeeën te vergaren. Ed Nijpels, tussen 1991 en 1999 voorzitter van het WNF, plakte daar een vergoelijkend commentaar tegenaan: „Hij deed dat niet voor de lol maar om het ecologisch evenwicht.” Tijdens een interview met het televisieprogramma NOS Actueel naar aanleiding van zijn 90e verjaardag verwoordde de prins het zo: „Je moet selectie hebben en om die selectie te hebben ga je de zwakke of de slechte afschieten. Dat is jacht. Dat heeft eigenlijk niets met plezier te maken, dat is bijna zou je zeggen plicht doen.”

Die opvatting klonk eind september ook door in zijn warme gelukwensen aan de Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging, waarvan hij 58 jaar beschermheer was. „Moge de 100‑jarige KNJV zich ook in de toekomst bewust blijven van het feit dat haar leden net als vroeger zich verantwoordelijk voelen voor de natuur in ons land.” In het licht daarvan wenste de prins de vereniging nog een lange en voorspoedige toekomst.

Toen het WNF begin 2003 aangaf geen bezwaar te hebben tegen de jacht op zadelrobben en klapmutsen in Canada, verloor de natuurorganisatie niet alleen tientallen donateurs maar ook de steun van haar koninklijke boegbeeld. De prins belde persoonlijk SP-parlementslid Krista van Velzen om te zeggen dat hij zich ook kantte tegen de „afschuwelijke jachtmethode”. Die knuppelslag kwam aan!

Toch genoot prins Bernhard tijdens het jagen in binnen- en buitenland. „De uren in het jachtveld doorgebracht, behoren tot mijn mooiste herinneringen”, schreef hij al in 1947 in het jagerswoordenboek van de Rotterdamse chirurg A. G. J. Hermans. Van recenter datum is de volgende ontboezeming. „We hebben heel wat goede tijden samen gehad tijdens het schieten en filmen in Afrika, en het uitwisselen van onze ervaringen.” Die openhartige ”introductie” is te lezen in ”On Safari with Bwana Game”, waarin Eric Balson niets verhullend verslag doet van zijn belevenissen met ”PB”. In woord én beeld. De jachtopziener in Tanzania ontmoette hem in 1961 voor het eerst en het klikte tussen die twee. De prins vloog met zijn vrienden (kolonel) Coen Geertsema en Hans Teengs Gerritsen en voldoende blikjes Heineken bijna jaarlijks naar de jachtvelden. Waarbij de levensgenieter zelf de stuurknuppel in handen had. In de beginjaren van een Dakota DC3 en later ook die van de Fokkers van de regering.

Balson regelde vooraf bij ‘zijn’ president speciale vergunningen, zodat de gasten konden ”oogsten” wat ze wilden. De prins benutte overigens niet alle kansen om het Afrikaanse groot wild te schieten, maar toonde zich ook tevreden met het nemen van foto’s of het opnemen van geluiden. De kiekjes, vele in kleur, bewijzen evenwel dat ZKH in ieder geval een buffel, krokodil, impala, leeuw en een door stropers verwonde olifantenstier de kogel gaf. Daarover deed hij nooit geheimzinnig. Balson beschrijft ook herhaaldelijk de prinselijke gewoonte om dagelijks, klokslag twaalf uur, een toast op zijn vrouw, koningin Juliana, uit te brengen. Het gezelschap beleefde hilarische en soms zelfs gevaarlijke momenten. Binnen een tijdsbestek van vier dagen werden de heren vijf keer aangevallen door een luipaard, buffel, krokodil, nijlpaard en weer dezelfde krokodil. Balson overhandigde deze uitgave van Safari Press november 2003 hoogstpersoonlijk aan prins Bernhard op Soestdijk. In het bijzijn van Lodewijk (”Ludo”) Wurfbain, Nederlander en eigenaar van deze grootste uitgeverij van jachtboeken in de VS.

Om het belang van de natuurbescherming onder de aandacht van het brede publiek te brengen, was de prins geen moeite te veel. Diverse natuurboeken voorzag hij van een aanbevelend voorwoord. Regelmatig stond hij door hem gemaakte films af voor televisieprogramma’s ter ondersteuning van inzamelingacties.

Diverse keren maakte prins Bernhard zich sterk voor de toekomst van de olifant. In de jaren ’80 van de vorige eeuw halveerde de olifantenpopulatie in Afrika tot minder dan 600.000 dieren als gevolg van grootschalige stroperij. In 1989, het jaar dat een wereldwijd handelsverbod op ivoor kon worden afgekondigd, bezocht hij met toenmalig WNF-directeur Niels Halbertsma in enkele dagen tijd de presidenten van Kenia, Zimbabwe, Zambia, Malawi en Tanzania om een eind aan deze praktijken te maken. De staatshoofden probeerde hij te overtuigen met het argument dat wildparken goed waren voor buitenlandse valuta.

De feestelijke heropening van het Marakele National Park op 28 augustus 2003 brachten zowel zijn diplomatieke woorden als een geloof in de toekomst deels in vervulling. Samen met oud-president Mandela zag prins Bernhard wat zijn vermogende vriend Paul Fentener van Vlissingen (° 1941) met zijn organisatie Afrika Parks probeert te bewerkstellingen: verwaarloosde natuurparken opknappen en mensen in Afrika aan een baan helpen.

Als ”honorary patron” van de Peace Parks Foundation ondertekende de prins op 27 november 2003 op Soestdijk mede een intentie tot samenwerking met het WWF. Peace Parks nam de afgelopen jaren diverse initiatieven in Zuid-Afrika, onder andere de oprichting van het Great Limpopo Trans Frontier Park in de voormalige conflictgebieden Zuid-Afrika, Mozambique en Zimbabwe. Dankzij dit grensoverschrijdende natuurgebied, waar ook het bekende Kruger Park deel van uitmaakt, verdwenen de hekken tussen deze landen zodat vooral olifanten meer levensruimte krijgen. Het arme Mozambique, dat dankzij dit nieuwe wildreservaat een economische impuls verwacht, meende prins Bernhard daarvoor al in 2002 te moeten bedanken. De PTT van dit Afrikaanse land gaf een serie postzegels uit met daarop vier privé-foto’s van de prins. Voor deze keer geen jachtfoto’s…

Prins Bernhard droeg vooral de olifant een warm hart toe. Reden waarom Diergaarde Blijdorp in 1984 het eerste olifantenkalf dat in een Nederlandse dierentuin geboren werd, Bernhardine noemde. „Olifanten hebben iets mystieks”, vond de prins. Zijn passie voor deze dikhuiden ontstond tijdens een safari in 1960. Bij het krieken van de dag stond Bernhard voor zijn tent plotseling oog in oog met een kolossale stier. Hoewel olifanten niet ongevaarlijk zijn, stak de prins voorzichtig zijn hand uit om contact te zoeken. Het beest bleef echter op veilige afstand. De volgende dag herhaalde het tafereel zich. Het dier kwam iets dichterbij. Op de derde dag legde de bul volgens Bernhard zijn slurf in zijn uitgestoken hand. Vanaf dat moment sloot prins Bernhard de olifant in zijn hart. De bewondering vond een uitlaatklep in een verzameling olifantenbeelden, die meer dan duizend stuks telde. Hij beschikte over (vermoedelijk) de grootste collectie ter wereld: miniatuurtjes en grote beelden, gebruiksvoorwerpen en sierstukken, uiterst kostbare kunstvoorwerpen en simpel massagoed, realistisch en abstract. De objecten stonden niet alleen in zijn werkkamer, maar in alle hoeken en gaten van paleis Soestdijk. De liturgie van de rouwdienst voor prins Bernhard in Delft sloot met een reproductie van een tekening van zijn eigen hand. Het betrof een schets van de achterkant van een Afrikaanse olifant in 1991. Onder de tekening schreef de prins: „I hope that he can walk in Peace!”

Op een schilderij van JAN HERMELER (° 1935- † 1995), die diverse jaren in Kenia woonde en werkte, staan de dikhuiden eveneens afgebeeld. Het schilderij hangt, evenals het schilderij”Endangered Spaces - Grizzly”van Robert Bateman in Paleis Soestdijk. Ook andere buitenlandse ”wildlife artists” kon ZKH tot zijn vrienden rekenen, zoals David Shepherd (° 1931), die door de Grootmeester in 1973 werd benoemd tot officier in de Orde van de Gouden Ark. En zijn WWF-kameraad sir Peter Scott, die het beroemde panda-logo ontwierp en ook enige tijd voorzitter was van de Society for Wildlife Art of the Nations (SWAN). Deze vereniging is eigenaar van het museum NATURE IN ART vlakbij de Engelse stad Gloucester.

In diverse publicaties gaf prins Bernhard er blijk van een liefhebber van ”wildlife art” te zijn. Ook liet hij januari 2004 weten „veel waardering” te hebben voor het initiatief om www.wildlife-art.nl te lanceren en gaf direct toestemming in de toekomst een selectie van zijn privé-collectie op de website te tonen. Werken van RIEN POORTVLIET, HENDRIK J. SLIJPER en HANS BULDER maken daar deel van uit. Zo schilderde laatstgenoemde in 1981 in opdracht van het Koninklijk Jachtdepartement ”Bolderende korhanen op de Asselsche heide”. Het doek werd de prins aangeboden ter gelegenheid van zijn 70e verjaardag. In de hommage ”Prins Bernhard als natuurbeschermer”, die vijf jaar later werd gepubliceerd, toonden behalve de fotografen Fred F. Hazelhoff en Herman Stegeman de volgende Nederlandse kunstenaars hun werk: MARJOLEIN BASTIN, KEES BOS, HANS BULDER, AD CAMERON, WALTY DUDOK VAN HEEL, Mia Grosfeld, DICK VAN HEERDE, MARIUS KOLVOORT, Heleen Ledeboer-Van Vuure, Inge van Noortwijk, ERIK VAN OMMEN, RIEN POORTVLIET, KEES VAN SCHERPENZEEL, ROBIN D’ARCY SHILLCOCK, HENK J. SLIJPER, PIETER VERSTAPPEN, JAN WEENINK en Dolf Wong.

Gerda van Gijzel (° 1939), die vooral grote faam opbouwde als mode-illustratrice, kwam in 1988 in contact met de Prins. Het idee onstond om een serie portretten van hem te maken. Op enkele van de in totaal zestien aquarellen bracht de in Amsterdam geboren tekenares zijn nauwe betrokkenheid met de natuur tot uitdrukking.

Gerda M. Dik-Kager, weduwe van PIETER DIK, in gesprek met prins Bernhard tijdens de ”wildlife art”-tentoonstelling ter gelegenheid van diens 75e verjaardag in het Singer Museum te Laren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

collectioneurs