Gerrit Jan van Heek jr. (° 1880 - † 1958)
collectioneurs

GERRIT JAN VAN HEEK jr., textielfabrikant en hartstochtelijke jager, werd vooral na zijn vijftigste een oprecht natuurbeschermer en had een belangrijk aandeel in de oprichting van het Overijssels Landschap (nu: Landschap Overijssel). Zijn liefde voor de natuur bracht hem naar landen als Roemenië, Zweden, Noorwegen, Oostenrijk čn Canada. Zijn belevenissen boekstaafde hij in ”Grepen uit een jagersleven” (1944) en ”Miene Vreenden” (1958). In 1948 verscheen ook zijn boekje ”Reewild in Nederland” met tekeningen van zijn hand.

Van Heek legde een omvangrijke collectie jacht- en dierschilderijen aan als herinnering aan de natuurtaferelen die hij op zijn reizen zo had gewaardeerd. De geboren en getogen Enschedeër, die er mede voor zorgde dat de Drentsche Patrijshond in 1943 als officieel hondenras werd erkend, bracht honderden doeken van enkele tientallen kunstenaars bijeen.

Toen in 1930 het RIJKSMUSEUM TWENTHE werd geopend, stond Van Heek een deel van die verzameling in bruikleen af. Uiteindelijk schonk de filantroop in fasen 132 schilderijen en tekeningen van negentien dierschilders uit de late negentiende en vroege twintigste eeuw, waaronder doeken van de Grote Vier: RICHARD FRIESE (° 1854 - † 1918; 44 schilderijen), FRIEDRICH WILHELM KUHNERT (° 1865 - † 1926; 20 schilderijen), BRUNO ANDREAS LILJEFORS (° 1860 - † 1939; 17 schilderijen) en CARL RUNGIUS (° 1869 - † 1959; 6 schilderijen). De Nederlanders JOSEPHUS ALPHONSUS SCHRIJNDER en PIETER VAN DER HEM maken eveneens deel uit van Europa’s grootste collectie dierschilderijen.

Van Heek bekostigde in 1938 de nieuwe noordvleugel om de verzameling permanent te kunnen tonen. De dierschilderijen verblijven momenteel in het depot. Geďnteresseerde bezoekers krijgen in 2005 de gelegenheid ze daar te bekijken, waarbij Fleur van der Schalk, achterkleindochter van de grootindustrieel, een toelichting geeft.

collectioneurs