.
Thijsse kreeg een grote bekendheid en populariteit. Hij werd veel gevraagd voor
lezingen en trok er wekelijks één of meer avonden op uit om ergens te
spreken. Erelidmaatschappen vielen hem ten deel van onder andere de
dierenbescherming Amsterdam (1907), de Saint-Hubert Club de France (1913),
de Royal Society for the Protection of Birds (1914), de Nederlandsche
Natuurhistorische Vereeniging (1926) en Natuurmonumenten (1931).
Zijn reputatie leidde er mede toe dat de onderwijzer Thijsse leraar in het
middelbaar onderwijs kon worden, hoewel hij daartoe geen officiële
bevoegdheid had. Van 1921 tot aan zijn pensioen in 1930 was hij leraar aan
het Kennemer Lyceum in Bloemendaal -waarheen hij in 1902 al was verhuisd-
en van 1922 tot 1928 ook leraar aan de Middelbare Meisjesschool aldaar.
Aanvankelijk was dat op tijdelijke basis. Een vaste aanstelling voor een
‘onbevoegde' ging te ver, maar nadat de Universiteit van Amsterdam hem
op 18 september 1922 een eredoctoraat had verleend, kwam het toch tot een
vaste aanstelling.
Er was ook wel twijfel aan Thijsses capaciteiten, in het bijzonder aan de
wetenschappelijke waarde van zijn inzichten. Dit bleek bijvoorbeeld toen
in 1929 werd voorgesteld hem lid te maken van de Commissie van Advies
inzake de Natuurmonumenten van Staatsbosbeheer. Deze zogeheten
commissie-Weevers gaf een wetenschappelijke onderbouwing aan het
natuurbeschermingsbeleid van Staatsbosbeheer, en de hoogleraren in die
commissie waren er niet direct van overtuigd dat Thijsse hier waardevolle
bijdragen zou kunnen leveren. Respect voor zijn persoon gaf uiteindelijk
de doorslag. Thijsse was inderdaad niet wetenschappelijk ingesteld.
Daarvoor was hij te ”onbekommerd”, zoals het door hem gevoerde motto
luidde. Thijsse -geen theoreticus van opleiding en misschien ook van
aanleg-, mengde zich niet in wetenschappelijke debatten. Hij werd
gewaardeerd als een uitstekend veldbioloog, die zijn waarnemingen het
liefst deelde met een groot publiek. Zijn boek over botanie, ”Omgang
met planten” (1909), vormde in dit opzicht een uitzondering.
Dit werk had wel een wetenschappelijk karakter en werd bij zijn
erepromotie door zijn promotor, prof. Th. J. Stomps, dan ook zijn ” dissertatie ”
genoemd. Opvallend daarin is de aandacht voor de bloembestuiving en de
daarbij betrokken insecten. Het Verkade-album ” De
bloemen en haar vrienden”( 1934) was hier helemaal aan gewijd.
Daarbij steunde Thijsse kritisch op het standaardwerk van P. Knuth.
Ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag schonken zijn vrienden hem een
stuk braakliggende grond in Bloemendaal van twee hectaren, waarop onder
zijn leiding een heemtuin onder de naam Thijsse's Hof werd ingericht.
Later toen hij zich door zijn hartkwaal moest ontzien en nauwelijks meer
reisde, verrichtte hij vooral onderzoek in zijn eigen heemtuin. Hij deed
hiervan verslag in: ” Een jaar
in Thysse's hof ” (1940) en ” Een
tweede jaar in Thysse's hof ” (1942). Hij werd net als Van Eeden
steeds meer een man van de duinen. Nog in 1943 zou hij ” Onze
duinen ” publiceren.
In 1930 ging Thijsse, na het onderwijs 47 jaar gediend te hebben, met
pensioen. Hij was in de jaren twintig diepgaand bevriend geraakt met de
ornitholoog Adolphe Burdet en ook met diens jongere vrouw Olga. Burdet was
een Zwitser, die in Nederland woonde maar de Alpen trouw bleef. Daardoor
bezocht ook Thijsse diverse malen de Alpen. Burdet had een jachthuisje aan
de rand van het Naardermeer. Thijsse wees de jacht niet af. Natuurbeheer
en wetenschappelijk onderzoek maakten in zijn ogen de jacht noodzakelijk.
Hij schreef dat hij zonder gewetensbezwaar met een dubbelloops op een
mooie zomeravond in een greppel zou willen plaatsnemen om overlast
bezorgende aalscholvers af te schieten. Zelfs over de plezierjacht
oordeelde hij aanvankelijk mild en dit leverde hem kritische reacties op.
Thijsse was niet alleen botanicus maar van het begin af tevens ornitholoog. Een
serie populaire en belangrijke boeken getuigt hiervan: ”Het Vogeljaar” (1904; 1972), ”Het intieme leven der vogels ” (1906; 19653), ” Het
vogelboekje (1912; 19726) en ” Nederlandsche
vogels ” (1934). Lange tijd waren dit de enige Nederlandse boeken
die de vogelliefhebbers ter beschikking stonden.
Na de dood van zijn vrouw in 1938 voelde hij zich eenzaam. Toen ook zijn
vriend Burdet in 1940 overleed, trok Olga bij hem in. De oorlogsjaren
vielen hem geestelijk zwaar. In 1944 moesten Olga en hij evacueren en zij
vonden een onderkomen in Overveen. Hij werkte aan zijn boek ”Natuurbescherming en landschapsverzorging in Nederland ” (1946).
Dit verscheen postuum, want de Nederlandse bioloog en natuurbeschermer
stierf op 8 januari 1945 in Overveen. Hij werd begraven op de Algemene
Begraafplaats aan de Bergweg in Bloemendaal.
Hoewel
hij voor een onverbeterlijke optimist doorging, was hij eind jaren dertig
teleurgesteld over wat Natuurmonumenten bereikt had. Deze werd volgens hem
”zeer onvoldoende gesteund door het Nederlandsche volk. Slechts 12.000
leden ofschoon de jaarlijksche contributie slechts f 2.50 per jaar bedroeg.”
Het ging hem niet alleen om de natuur maar ook om de mens. Deze ging bij hem
voor. Hij zag de oprukkende stedelijke bebouwing maar wees deze niet af.
Ook in een stedelijke omgeving was de natuur aanwezig. Over het verdwijnen
van de heidevelden merkte hij op dat daarmee ook de plaggenhutten
verdwenen. Zijn belezenheid op het terrein van de geschiedenis bewijst
hoezeer hij zich voor mensen interesseerde. Van zijn filosofische en
maatschappelijke interesse getuigt zijn opstel over Thoreau (1930) in het
liber amicorum voor Frederik van Eeden. In een interview bij zijn
zeventigste verjaardag getuigde Thijsse van het morele belang van de
natuur: ”Zij die leven voor wat groeit, bloeit, kruipt, ademt moeten wel
beter en rijker worden. Zij krijgen belangstelling voor muziek,
schilderkunst, beeldhouwwerken, godsdienst. Groeien zelf. Worden beter”.
V. Westhoff zegt van hem: ”Thijsse was in zekere zin zowel een
kunstenaar als een geleerde, zowel een volksleider en pedagoog als een
dichter en journalist, in geen van deze richtingen op zichzelf uitmuntend
boven de beste anderen, maar in de evenwichtige combinatie van alle
tezamen volkomen uniek en exceptioneel doeltreffend.”
Thijsse
was vooral een popularisator, die met zijn aanstekelijk enthousiasme en
een grote dosis beminnelijkheid mensen wist te overtuigen. Wanneer een
afvaardiging van Natuurmonumenten bijvoorbeeld een onderhoud met een
minister had geregeld, ging Thijsse mee omdat hij als geen ander een
bewindsman in een persoonlijk woord tot andere gedachten kon brengen. In
de persoonlijke benadering lag ook zijn bestuurskracht. Hij was een man
van het midden, hij nam over het algemeen geen extreme standpunten in. Dat
gaf hem, met zijn aimabele persoonlijkheid, de gelegenheid te bemiddelen
bij grote verschillen van inzicht binnen een bestuur.
Toch
was Thijsse geen groot bestuurder. Hij was niet de man die de richting
aangaf, en hij liet op bestuursvergaderingen nogal eens verstek gaan.
Evenmin zag hij zichzelf als natuuractivist. Zo schreef hij in het Algemeen Handelsblad (9-1-1904): ” Ik
houd niet van agiteeren en van adressen en petities keer ik mij doorgaans
af, omdat ze mij meestal onbescheiden, betweterig of komiek voorkomen. ”
Thijsse fulmineerde niet, maar sprak zijn teleurstelling uit op een manier
die als het ware medelijden met de natuur opriep. De in 1933 voltooide
Afsluitdijk beschreef hij bijvoorbeeld als een technische prestatie van
formaat, en deze afsluiting van de Zuiderzee was natuurlijk uit
veiligheidsoverwegingen noodzakelijk. Maar voor de natuur was het wel een
ingreep met grote gevolgen. ” Niet
zonder aandoening zagen wij aan den vooravond van de afsluiting het
laatste kwalletje nog naar binnen gaan ” ,
schreef hij in 1936 aan een kennis.
De
technische vooruitgang, die bijvoorbeeld de ontginningen en
ruilverkavelingen mogelijk maakte, slokte veel natuur op, maar Thijsse
begreep dat hij niet stilgezet kon worden. Toen de ontginningen en
verkavelingen tijdens de economische crisis van de jaren dertig zich
echter onder andere door de werkverschaffing in steeds hoger tempo
voltrokken, voelde hij zich genoodzaakt deze ontwikkeling te vertragen.
Natuurmonumenten beschikte over onvoldoende kapitaal om in gelijk tempo
terreinen aan te kopen. Het landschap op zichzelf werd nu bedreigd. Pogen
om het waardevolste te behouden en pleiten om bij ontginningen en
verkavelingen toch enige rekening met de natuur te houden, werd de
strategie. Dat laatste deed Thijsse sinds 1932 als afgevaardigde van
Natuurmonumenten in de Contact-commissie voor Natuur- en
Landschapsbescherming, een orgaan waarin de natuurbeschermingsorganisaties
gezamenlijk overleg met de overheid voerden. De natuurbeschermers konden
tegenover de ontginners weinig gewicht in de schaal leggen en zochten
steun bij de overheid. Overtuigingskracht en goede contacten waren ook
hier weer belangrijk. ” Hier
staan nu onze ingenieurs voor een moeilijk vraagstuk, dat velen hunner ook
wel smartelijk zal kwellen ” ,
schreef Thijsse in De Levende Natuur
(38 (1933) 369-374). ” Mag
Nederland millioenen guldens ten koste leggen aan werkzaamheden, die het
kostelijk natuurschoon vernietigen, die ons land in dat opzicht voor
altijd verarmen? ”
Thijsse wilde graag dat kundige natuurbeschermers betrokken werden bij
ontginningsplannen om zo die ingenieurs te kunnen helpen. Vaak was het
immers mogelijk om met wat wijzigingen natuur te sparen zonder dat de
landbouwmogelijkheden wezenlijk in het gedrang kwamen. Daarbij ging
Thijsse uit van de goede wil van zijn medemens. De natuurbeschermers
kregen in de Contact-commissie allengs een officiële stem, maar konden
tegelijkertijd niet meer doen dan adviseren en pogen te overtuigen. Een
man als Thijsse met zijn bekendheid, populariteit, beminnelijkheid en
verzoenende houding kon bij zo'n aanpak een belangrijke rol spelen. Maar
daar waar de landbouwbelangen in het nauw kwamen of er extra kosten
gemaakt moesten worden, bereikte ook die overtuigingskracht snel haar
grenzen.
Thijsse
ontbeerde de steun van grote, maatschappelijk sterke organisaties. Die
zouden pas later tot stand komen; mede door zijn toedoen. Thijsses
belangrijkste bijdrage aan de natuurbescherming is dan ook gelegen in de
popularisering van de natuur bij een groot publiek, waardoor hij -samen
met anderen- de noodzakelijke mentaliteitsverandering op gang bracht. Door
zijn tijdloze en aanstekelijke manier van schrijven bleven Thijsses
geschriften ook na zijn dood in 1945 nog lang populair. ” Als
je Thijsse wilt citeren ” ,
aldus de schrijver Jan Wolkers, ” is
het eind ervan zoek. Het gaat maar door, als een hoorn van overvloed
waaruit hij de hele flora en fauna van ons land over je uitstort in
woorden en beelden die je voorgoed bijblijven ”
( NRC Handelsblad ,
2-6-1995).
Archiefmateriaal
van en over Jac. P. Thijsse berust bij de Heimans en Thijsse Stichting. Secretariaat
en bibliotheek: Hugo de Vries Centrum, Plantage Middenlaan 2H te
Amsterdam.
Bibliotheek
en archief zijn toegankelijk op dinsdag en vrijdag van 10.00-16.00 uur en
op afspraak: 020-6228115 of heimans-en-thijsse-st@planet.nl.
Postadres: Postbus 20123, 1000 HC Amsterdam.