|
Dat alleen ULCO GLIMMERVEEN
en EWOUD DE GROOT de selectie voor de 31e editie van Birds in Art passeerden, is geen reden tot paniek. Vanaf 1981, het eerste jaar dat een Nederlander aan ’s werelds meest prestigieuze vogelkunstexpositie in het LEIGH YAWKEY WOODSON ART MUSEUM mocht deelnemen, waren er meer uitschieters naar beneden.
De expositie begon in 1976 min of meer als een provinciale ontmoeting voor Amerikaanse vogelillustratoren. Anno 2007 is het evenement uitgegroeid tot een inmiddels als merknaam geregistreerde show. „Kwaliteit is ons belangrijkste criterium”, liet directeur Kathy Kelsey Foley in 2005 tijdens een interview met
www.wildlife-art.nl weten. „Birds in Art is ons vlaggenschip. We proberen elk jaar een betere tentoonstelling te presenteren.” Volgens haar zoekt de jaarlijks wisselende jury altijd naar het ongebruikelijke, naar een niet te voorspellen kwaliteit. „Dat houdt Birds in Art fris. Het is ’s werelds beste kunstzinnige interpretatie van het thema vogels en de mooiste manier om binnenshuis vogels te kijken”, aldus Foley, die al tien jaar de scepter over het
LEIGH YAWKEY WOODSON ART MUSEUM zwaait.
Gedurende haar ‘bewind’ schommelde het aantal deelnemers per jaar tussen de 99 en 116. Bij een uitsplitsing naar continent
(grafiek 1) blijkt dat de meeste kunstenaars uit Amerika –de VS en Canada– komen. Onder hen bevinden zich gemiddeld 15 zogenaamde ”Master Wildlife Artists”
(grafiek 2), een select gezelschap dat sinds de start van Birds in Art in 1976 jaarlijks (meestal) met één persoon wordt uitgebreid. Een gelauwerde mag elk jaar zondermeer aan de tentoonstelling meedoen; het ingezonden werk valt buiten de jurering. De erelijst telt nu 29 namen, waarvan er overigens inmiddels acht zijn overleden. Ook hier vormen kunstenaars uit Amerika de meerderheid
(grafiek 3).
De cijfers wekken de schijn dat kunstenaars uit de VS en Canada een streepje voor hebben ten opzichte van Europa en andere continenten. Drs. Paul Knolle, die Birds in Art typeert als ”een steeds weer geslaagde poging om inzicht te geven in de huidige stand van de dierschilderkunst”, ontkent dat daar sprake van is. Het hoofd collecties van het
RIJKSMUSEUM TWENTHE was in 2005 de eerste Europeaan die werd gevraagd deel uit te maken van de jury. Insinuaties dat de directie invloed op de selectie zou hebben, wees hij tijdens een vraaggesprek resoluut naar het rijk der fabelen. „We jureren de kunstwerken zonder te weten wie de makers zijn, al herken je natuurlijk wel sommige kunstenaars. De mensen van het museum onthouden zich van ieder commentaar. Alleen over de keuze van de Master Wildlife Artist hadden wij geen zeggenschap.” Samen met Adam Harris van het National Museum of Wildlife Art in Jackson (Wyoming) en John O’Hern van het Arnot Art Museum in Elmira (New York) nam de Nederlandse kunsthistoricus in 2005 1200 inzendingen van 610 kunstenaars onder de loep. „Men mag twee dia’s van maximaal twee objecten inzenden. Daar zit heel veel rommel tussen. Tijdens de tweede ronde vallen de ergste dingen door de zeef. Het restant wordt aan de hand van een puntenscore in- of uitgeloot.” De jury kon na de „spannende keuze” niet voorkomen dat ook toen driekwart van de kunstenaars afkomstig was uit Noord-Amerika. „Bij de beoordeling voerde kwaliteit absoluut de boventoon. Dat bepaalt het succes van Birds in Art. Het is een jaarlijkse competitie, waar ook goede kunstenaars hun best moeten doen om erbij te komen.”
HENK SLIJPER is in 1981 de eerste Nederlander die wordt toegelaten tot Birds in Art. In de 26 daarop volgende jaren schommelt het aantal landgenoten dat door de selectie komt van nul tot maximaal zes
(grafiek 4). Onbekend is hoevelen elk jaar de moeite nemen om werk ter beoordeling in te sturen.
www.wildlife-art.nl peilde onder Nederlandse kunstenaars de mening over Birds in Art en ontving de volgende reacties:
HANS J. GEUZE, vijf keer geselecteerd: „Dit jaar was ik voor 3 maanden in het buitenland, reden dat ik niet heb meegedaan. Zoals je weet ben ik een aantal keren geselecteerd, maar ook dikwijls niet. Ik heb nooit begrepen wat de criteria zijn. Is natuurlijk ook lastig om die te formuleren bij kunst. Natuurlijk is kwaliteit een criterium, maar dit is vaak ook subjectief en niet eenduidig. Om te kunnen beoordelen of Amerikanen meer kans maken moet je eigenlijk de verhouding tussen buitenlandse en Amerikaanse inzendingen kennen. Die ken ik niet. Ik denk dat veel kunstenaars uit Europa niet meer meedoen. Het staat natuurlijk leuk op een cv, maar levert verder niet veel op. Ikzelf heb ook wel mijn twijfels. Bovendien is (te) veel werk in de jaarlijkse catalogus kwalitatief onder de maat vind ik. Veel fotorealistisch werk en minder de Europese, vrijere en interpretatieve stijl.”
TAMMO LUKKIEN: „Ongetwijfeld zijn het kundige juryleden, daar zou ik niets over durven zeggen. Maar het zijn wel Amerikanen, met hun amerikaanse smaak betreffende
"kunst" (wat dat ook moge zijn). Over het algemeen vind ik het wel mooi werk wat ze uitkiezen. Zelf heb ik ook een keer geprobeerd door de ballotage te komen, wat overigens niet lukte. Alles met elkaar vind ik het ook teveel gedoe. Je moet speciale dia's laten maken en eventueel de plas over bij een presentatie. Ik denk dat veel kunstenaars dat gevoel hebben.”
ERIK VAN OMMEN, twee keer geselecteerd: „Ik stuur al zeker 15 jaar niet meer in; vind het persoonlijk niet interessant. Over de selectie kan ik niets zeggen, maar ik ga uit van het positieve. Criteria ken ik ook niet, maar die zijn er ongetwijfeld ook. Dus wat kan het zijn? Dat Nederlandse kunstenaars niet binnen de criteria vallen of niet goed genoeg zijn? Met andere woorden, ik weet het niet.”
AD SWIER: „Ik heb in het verleden twee of drie keer getracht mee te doen. Ik herinner me nog dat ik een brief kreeg met daarin onder ander ”we urge you to come down, we can assure you to have a wonderfull time”... Nou wie wil er geen wonderfull time? Dure dia’s laten maken en hupsa. Kreeg iedere keer een wat arrogant briefje terug niet geselecteerd te zijn. Nou ben ik helaas niet zo'n commercieel denkend mens, maar ik had ook weinig zin meer om nog een paar keer m'n kop te stoten. Als ik zo naar de diverse catalogi kijk dan kreeg ik toch een beetje het idee dat mijn werk toch niet zo heel slecht afstak... maar dat zal iedereen wel van zichzelf vinden. Willekeur, komt wel een tikje bij mij op. Ik verloor in ieder geval de interesse. Maar nu ik er weer over lees denk ik toch... wie weet doe ik het nog wel een keer.”
RENSO TAMSE: „De selectie is volgens mij ook een kwestie van geluk. Het verbaast me hoe de jurering soms tot stand komt. Ik ken talentvolle collega’s die niet toegelaten worden. In de catalogus zie ik namelijk ook mindere werken. Mogelijk speelt de smaak van de jury een rol, maar dat geeft toch te denken.”
|