Reformatorisch Dagblad, 10 maart 2008, cultuurkatern Talent pagina 15:
nieuws

Morpho op een granaatappeltak, Maria Sibylla Merian (1647 1717). Waterverf op perkament. Foto The Royal Collection HM Queen Elizabeth II Boven een felrode bananenbloem kruipt een rups rond, het kopje parmantig opgeheven. Aan een tros rijpe bananen hangt een harde glanzend bruine pop. Daarnaast fladdert een zachtbruin nachtvlindertje met poederig fijn geschubde vleugels. De metamorfose van rups, naar pop, naar vlinder is door Maria Sibylla Merian zorgvuldig in beeld gebracht. Op kunstzinnig hoog niveau, met wetenschappelijke deskundigheid.
Het is nu meer dan 300 jaar geleden dat Maria Sibylla Merian haar nauwkeurige waarnemingen aan het perkament toevertrouwde. Haar artistiek talent, gewetensvol werken en uiterst nauwgezet observeren leidden tot een prachtige verzameling natuurhistorische tekeningen, aquarellen en prenten.
Het Rembrandthuis in Amsterdam stelt tot en met 18 mei het werk van deze beroemde kunstenares en wetenschapper en dat van haar dochters tentoon. Op de expositie, die samen met het Paul Getty Museum in Los Angeles is samengesteld, zijn meer dan honderd zelden getoonde meesterwerken te zien, waaronder ook aquarellen uit de collectie van het Britse koningshuis.
Niet alleen Merians werk is buitengewoon, ook haar levensloop. Zij wordt in 1647 in het Duitse Frankfurt geboren, als dochter van een bekende graficus en uitgever. Kunstenaars, geleerden en verzamelaars zijn er kind aan huis. Als driejarig meisje verliest Maria Sibylla echter haar vader. Diens plaats wordt na korte tijd ingenomen door de kunstschilder Jacob Marrel, die nog les kreeg van Jan Davidsz. de Heem. Marrel brengt het meisje de eerste beginselen van het kunstenaarschap bij.
Op haar elfde jaar begint Maria zijderupsen te kweken en te onderzoeken. Ondanks haar jonge leeftijd houdt ze haar waarnemingen systematisch bij; tekeningen ondersteunen haar beschrijvingen. Het is geen jeugdige bevlieging, het wordt een obsessieve hobby die haar leven gaat beheersen.
Als pasgetrouwde vrouw verwerft Merian al bekendheid met publicaties over bloemen en rupsen. Bloemenboeken zijn dan nog bedoeld als een set patronen voor schilderende en bordurende welgestelde dames. Maar Maria Sibylla ontworstelt zich spoedig aan dit vrouwenbedrijf, haar werk krijgt steeds meer wetenschappelijke waarde. Het eerste deel uit een serie, ”Der Raupen wunderbare Verwandlung und sonderbare Blumennahrung (…)”, wordt door haar zelf uitgegeven in 1679. De titelpagina toont direct de fraai gebogen takken van de witte moerbei, met daarop de verwoed van de gekartelde blaadjes etende zijderupsen. De aquarellen en gekleurde prenten waarmee het boek is geïllustreerd, laten zien dat de kunstenares een ongelofelijk fijn waarnemingsvermogen bezit. Bovendien kan zij met dekkende waterverven de individuele schubben van de vlinder- en mottenvleugels heel precies weergeven.
Merian weet haar werk toegankelijk te houden. Ze bespreekt alledaagse planten en struiken, die de rups tot voedsel dienen: zoals de boterbloem en de brandnetel, de sleedoorn en de meidoorn. Planten die ze in haar eigen tuin en in de directe omgeving vindt. Haar werk heeft voor Merian ook een religieuze betekenis. Haar waarnemingen in getekende, geschilderde en geschreven vorm zijn één groot eerbetoon aan Gods schepping.
Maria Sibylla geeft in 1685 haar leven een nog ongebruikelijker wending. In dat jaar vestigt zij zich met haar twee dochters in een piëtistische geloofsgemeenschap van labadisten in het Friese Wieuwerd en scheidt ze van haar man. Na zes jaar vertrekt ze naar het welvarende Amsterdam en bouwt daar met haar dochters een bloeiend eigen bedrijf op. Haar aquarellen en geïllustreerde boeken zijn gezocht bij kunstliefhebbers en verzamelaars. Bovendien verkoopt het bedrijf ”Merian & dochters” pigmenten, penselen, geprepareerde insecten en dieren op sterk water aan de vele handelaren, drukkers en verzamelaars die Amsterdam in die tijd rijk is.
In Amsterdam is ze voor de bestudering van insecten aangewezen op de ontzagwekkende, maar dode verzamelingen die in de stad zelf te vinden zijn. Het verlangen naar de levende natuur achter deze vaak exotische verzamelingen, noemt Merian zelf als aanleiding voor de ongewone stap die zij in 1699 zet; zij scheept zich met haar dochter Dorothea in op een koopvaardijschip. Samen ondernemen ze de maandenlange zeereis naar de kolonie Suriname, om daar in het oerwoud insecten te bestuderen.
Het verblijf in Suriname is in zekere zin de kroon op haar werk. Tegen de tijd dat Maria Sibylla Merian haar observaties van de harige groene rups op de tropische bananenbloem optekent, heeft ze inmiddels een heel leven in gezelschap van insecten achter zich. Ze is in feite een volleerd insectenkundige. Maar in Suriname krijgt ze meer dan ooit de kans vernieuwend natuurhistorisch onderzoek te doen. Niet alleen haar waarnemingen van de ontwikkeling van rupsen en vlinders zijn nieuw. De planten en bomen, maar ook mieren, spinnen, slangen en leguanen die ze in Suriname aantreft zijn niet eerder zo door Europese onderzoekers vastgelegd. Als Merian na twee jaar vanwege aanhoudende ziekte noodgedwongen terugkeert naar Amsterdam, heeft ze honderden tekeningen en een schat aan nauwgezette beschrijvingen bij zich. Deze leveren de basis voor het boek ”Metamorphosis Insectorum Surinamensis, Ofte Verandering der Surinaamse Insecten”, dat ze 1705 in het Latijn en in het Nederlands uitgeeft en dat haar wereldberoemd maakt.

Copyright: Reformatorisch Dagblad

nieuws