|
ROBIN
D’ARCY SHILLCOCK
Geprovoceerd
door het ongrijpbare van wilde dieren wordt ROBIN
D’ARCY SHILLCOCK gedreven door de wens om te begrijpen. „De
bewegelijkheid van dieren dwingt me in extreme omstandigheden tot het
beste ervan te maken. De schetsen benadrukken het incomplete van mijn
vocabulaire, maar zijn essentieel; ze helpen de witte plekken in mijn
geheugen kleur te geven. Zal het tekenen ooit leiden tot de verbondenheid
die ik zoek? Of blijf ik verloren, zo halverwege mijn wereld en de hunne?
Zolang ik geen antwoord heb, blijf ik tekenen.”
Het op locatie werken, het penseel als verlengstuk van het zoekende oog,
vormt de basis van zijn werk, zo blijkt ook uit het volgende
dagboekcitaat.
Spitsbergen,
26 april 1997:
”Min 30. Elf uur op de been, elk gevoel afgevlakt door de kou. Het spoor
leidt weg van het rendierkarkas, na een uur raak ik het bijster. Dan maar
weer terug naar de kust. Daar zie ik mijn eerste ijsbeer, een lichte stip
op het pakijs. Onvergetelijk moment! Ik volg de beer door een
droomlandschap. Metershoge ijsblokken, alles door de wind afgesleten,
uitgehold. Log beweegt hij zich voort, alsof elke zwaai van zijn lange
poten moeite kost. Van deze afstand zijn niet de zwarte neus en de oogjes
het opvallendst, maar de schaduwen waar de vacht zich opent als de beer in
beweging is. Door die dansende vormpjes verraadt hij zich in het witblauwe
ijslandschap. Ik heb moeite om hem bij te houden. Daar waar hij gewoon
rechtdoor gaat, moet ik mij een weg zoeken tussen richels en ijsplaten.
Opeens verstart hij, zijn kop op de lange nek begint heen en weer te
wiegen en dan, lenig als een kat, sluipt hij met korte rukjes vooruit,
balancerend op twee poten. Een les in lenigheid. Hij heeft een prooi
ontdekt en beweegt razendsnel. De ijsbeer breekt door het poolijs en
sleurt een jonge rob uit het ijs, zet het met een poot vast, rijt het uit
elkaar. Het klinkt als scheurend doek. Meer dan een uur lang eet de beer.
Ik kijk en schets en luister naar het kraken van bot. Vol overgave kauwt
hij op brokken dieprood vlees. Dan houdt hij op met kauwen en kijkt me met
opgeheven en met bloed besmeurde kop aan. Hij kijkt naar m’n armen en
benen. Ik word gedetermineerd. Zeventig kilo vlees, spieren en bloed, maar
niet genoeg hoogwaardig vet. Hij is klaar en de rob is leeg. Hij draait
zich om en sjokt weg, verder de bevroren zee op, een spoor van oplichtende
afdrukken in het blauw achterlatend. Op het ijs ligt de rob,
uitgerold als een vloerkleedje.”
(klik op beeld voor vergroting)
|