illustraties

Illustraties kunnen kunstig zijn. Hoe fraai deze aquarellen, (detail)tekeningen en prenten ook zijn, hun doel is echter niet het oog te behagen. Het in beeld brengen van dieren en andere natuurhistorische onderwerpen is al honderden jaren een belangrijk onderdeel in de totstandkoming en verspreiding van (wetenschappelijke) kennis. De taak van illustraties is om de kenmerken van planten, dieren of het menselijk lichaam vast te leggen én over te dragen. Ze zijn niet alleen -letterlijk- illustratief bij het onderzoek, maar helpen ook bij het verkrijgen van inzicht in het onderwerp. Het tekenvak is tot op de dag van vandaag onmisbaar voor wetenschappelijk onderzoek en onderwijs. Een wetenschappelijke illustratie is bedoeld als vervanger van het echte voorwerp. Zo kan een onderzoeker in Japan toch een vlinder uit een buitenlandse museumcollectie bekijken, zonder de wereld over te hoeven reizen. De illustrator kan in een tekening accenten leggen die met moderne technieken (zoals digitale fotografie) niet haalbaar zijn. Welke kenmerken van de vlinder zijn belangrijk, welke doen niet ter zake? In zijn tekening heeft de tekenaar die keuze al gemaakt. Natuurlijk mogen de esthetische waarde en het ambachtelijke aspect niet worden vergeten. Kortom: illustreren is een vak apart.

Geschiedenis

De wetenschappelijke illustratie kent een lange traditie die doorloopt tot de dag van vandaag.

In de Middeleeuwen werden kunst en wetenschap volledig beheerst door de theologie. Dieren sierden als fantasievolle wezens talloze boeken en kerken. Ze worden verwerkt in gebeeldhouwde misericordes, in letters en randen van verluchte handschriften en in snijwerk van bouwkundige rondingen en kapitelen. Er is weinig aandacht voor objectieve waarneming. Door gebrek aan anatomische detailkennis worden planten, dieren en mensen grof en schematisch weergegeven. Veel planten in ”kruidenboeken” lijken door het vele kopiëren uit andere boeken niet meer op het origineel. Dat deerde destijds echter niet omdat de nadruk op de medicinale werking lag en niet op de plant zelf. De wetenschappelijke afbeelding ontwikkelt zich in die periode maar langzaam. Een zeldzaam voorbeeld van gedetailleerde observatie en weergave is het ”Valkerij-boek”, een praktisch handboek voor de valkenier van Frederik II van Hohenstaufen. 

De Renaissance vormt een keerpunt in het afbeelden van de natuur. Met de opkomst van de wetenschap begon het systematisch bestuderen van de flora en fauna. Voor het eerst keken wetenschappers en tekenaars direct naar de natuur zelf. Zij legden soorten planten en dieren uiterst nauwkeurig vast in hun illustraties. Door de uitvinding van de boekdrukkunst verschijnen er vanaf de tweede helft van de vijftiende eeuw steeds meer boekwerken over planten en dieren, rijk geïllustreerd en prachtig vormgegeven. Afbeeldingen krijgen steeds meer de rol van tekstverklaarders. Ze staan niet los van de tekst, maar precies op de plek waar ze de zinnen het best ondersteunen. Natuuronderzoekers nemen tekenaars op hun expedities. Men leerde nauwkeuriger naar de natuur te kijken en ontwikkelde zich ook in het weergeven van perspectief, met als gevolg een natuurgetrouwer resultaat.

Tekenaars als Leonardo da Vinci (° 1452 - † 1519), Albrecht Dürer (° 1471 - † 1528) en Andreas Vesalius (° 1514 - † 1564) brachten grote vernieuwingen in de tekentechnieken tot stand. Vooral de tekeningen van Da Vinci zijn zeer levensecht en kunnen gezien worden als de foto's van die tijd. Hij was er bewust op uit de werkelijkheid onvervormd weer te geven en ontwikkelde nieuwe afbeeldingtechnieken: dwarsdoorsneden, het toepassen van perspectief en het maken van inkijkjes. Dürer introduceerde eveneens nieuwe tekenmethoden, met een grote nadruk op een hyperrealistische weergave van het onderwerp. Hij publiceerde het boek ”Menschlicher Proportion” en ”Unterricht der Malerei”, een meetkundige uiteenzetting en constructiemethoden om onderwerpen perspectivisch weer te geven. Zijn aquarel ”jonge haas” (1502) werd wereldberoemd. De Duitse renaissancekunstenaar schetste de trillende levenskracht van het dier tot in de kleinste bijzonderheden.

In de loop van de 16de eeuw ontstaat er een sterke uitbreiding van natuurwetenschappelijke kennis die door directe waarneming is verkregen. De kunst komt nu in dienst van de wetenschap te staan en de illustratie gaat nog meer de tekst ondersteunen. Een hechtere samenwerking tussen natuuronderzoeker en kunstenaar levert boeken van betere kwaliteit op, bijvoorbeeld ”De Historia Stirpium” (1542), het kruidboek van Leonard Fucks. Er werkten drie mensen aan: een wetenschapper, een tekenaar en een houtbloksnijder. Ook de uitgever, Christoffel Plantijn, had veel invloed op het succes van dit boek. 

In de laatste helft van de 16de eeuw en in de 17de eeuw ontstaat er grote belangstelling voor exotische planten en dieren. Veel geleerden, zoals artsen, apothekers, chirurgen en natuurkundigen monsteren aan op handelsschepen om exotisch materiaal te verzamelen voor hun rariteitenkabinetten. In de loop van de 17de eeuw verschijnen er veel boeken waarin verslag wordt gedaan van de onderzoeksresultaten. Voorbeelden zijn ”Paradisus Naturalis Brasiliae” van Willem Piso en Georg Macgrave, een verzameling olie- en waterverfschilderingen van Albert Eckhout, en de werken van Maria Sibylla Merian (° 1647 - † 1717) die de Surinaamse insectenwereld fraai in beeld bracht.

In de eerste helft van de 17de eeuw perfectioneerde Anthony van Leeuwenhoek (° 1632 - † 1723) de microscoop. Van Leeuwenhoek, maar ook wetenschappers als Jan Swammerdam, maakten tekeningen van de micro-organismen die zij door hun microscopen waarnamen.

In de 18de en 19de eeuw, de tijd van de Verlichting, komen de natuurhistorische genootschappen op: verenigingen waarin wetenschappers elkaar regelmatig troffen om kennis over planten en dieren uit te wisselen. Wetenschappelijke boeken en tijdschriften worden de standaardvorm voor de verspreiding van kennis. Aan tekenaars stelt men steeds hogere eisen. In hun werk moeten zij realiteit en precisie nastreven. 
Veel kunstenaars gaan zich met de natuur bezig houden, zoals John James Audubon (°1785 - † 1851), John Gould (° 1804 - † 1881) en
HERMAN SCHLEGEL, die in 1847 tien eisen op schrift stelt waaraan een wetenschappelijke tekening moet voldoen. Deze tekenaars wisten de natuurhistorische illustratie te perfectioneren en zelfs tot kunst te verheffen. Ook het gewone publiek begint oog te krijgen voor de schoonheid van natuurillustraties. Goedkope kopieën van illustraties komen bovendien binnen ieders bereik door de ontwikkeling van nieuwe reproductietechnieken, zoals de lithografie (steendruk), de offsetdruk (inktdrukpers) en de fotografie. De nieuwe technieken hebben ook weer hun invloed op de verdere ontwikkeling van de botanische en zoölogische illustratie. Naast de aloude tekentechnieken kunnen illustratoren nu kiezen uit een heel scala van mogelijkheden om een onderwerp weer te geven. Bij de keuze van de weergavetechniek spelen eigen voorkeur en specialisme een steeds minder belangrijke rol: gekozen wordt voor die techniek die het onderwerp het meest inzichtelijk aan anderen kan overdragen.

Nog vervult de illustratie een belangrijke rol in de overdracht van natuurhistorische kennis. Er zijn wel enkele zaken veranderd. In de wetenschap is de aandacht verschoven van het beschrijven van planten en dieren en geologische fenomenen naar het beschrijven en het verklaren van biologische en geologische processen. Ook in de leermethoden van het onderwijs vervullen illustraties die ingewikkelde processen in beeld kunnen brengen een nuttige rol. In plaats van de zichtbare werkelijkheid in beeld te brengen visualiseert de tekenaar meer en meer de functionele aspecten van de natuur, zoals: groeiprocessen, bewegingspatronen, fysiologische processen (de werking van het hart), veranderingsprocessen in het leven door de tijd (evolutie), de constructieve opbouw en werking van het skelet, enzovoort. Dit uit zich weer in nieuwe tekenmethodes zoals opengewerkte tekeningen, doorzichten, zogenaamde ”exploded views”, infographics, die processen stap voor stap in beeld brengen. Er is nu een sterke tendens tot schematiseren en reduceren, dat wil zeggen: het zo treffend mogelijk weergeven van de essentie, met weglating van overbodige details.

Verder heeft de fotografie zich een vaste plaats verworven tussen de klassieke handmatige illustratietechnieken als de potloodtekening en de aquarel. Soms heeft de camera de tekening verdrongen, zeker op het gebied van het zeer grote (weergave van het heelal) en het heel kleine (bijvoorbeeld microstructuren op kristallen). De fotografie staat ook boven alle andere uitdrukkingsmiddelen als het gaat om het bewijs van het bestaan en de verschijningsvorm van een object. De camera is ook meer dan de tekenpen een verlengstuk van het menselijk oog. De camera is sneller en daardoor in staat om bewegende dingen direct vast te leggen, zoals de beweging van de vleugels van een vogel of het uiteenspatten van een druppel water. Een infraroodcamera kan zelfs beelden registreren op een golflengte van het licht die voor het menselijke oog niet waarneembaar is. De klassieke handgemaakte tekening blijft echter van belang, omdat een camera alleen registreert wat hij ziet maar niet kan selecteren of vereenvoudigen.