Felice de Zwart (° 1960)
kunstenaars

FELICE DE ZWART is al jong geobsedeerd door dieren en planten. „Spelen op straat deed ik nauwelijks. Ik was altijd op zoek naar insecten, salamanders, kikkers en vissen. Zulke avonturen eindigden steevast in het water. Ik rook dan ook meestal naar slootwater.” Het ouderlijke huis in Delft stond vol met aquaria met watertorenvissen en zoetwatermosselen. Ondertussen koesterde ze één grote droom: duiken, om nog meer van de zee te ontdekken. Met haar eerste duik in het Oostvoornse Meer ging die wens in 1985 in vervulling. „Ik zag mosselen, stekelbaarsjes en was helemaal in de wolken!” Ze duikt nu jaarlijks 300 keer, samen met haar partner Joop Stalenburg, een verdienstelijk onderwaterfotograaf.
Dieren tekenen doet Felice eveneens met plezier. „Naarmate ik meer ging duiken tekende ik alleen nog maar zeeleven. Dat van Nederland en Frankrijk. Hoe mooi het ook in de tropen is, mijn hart gaat uit naar het koude water.”
De autodidact werkt soms maanden aan een tekening. Ze gebruikt watervaste, zwarte tekeninkt en geschept papier. Met monnikengeduld zet Felice de complexe schoonheid van de onderwaterwereld om in stipjes, cirkeltjes en streepjes. „Ik ben gek op details”, zegt de nachtzuster in een woonzorgcentrum, die nu in Delft woont. „Hoe een tekening er precies uit gaat zien, weet ik nooit van te voren. Het is een ontdekkingsreis, net als duiken. Soms ben ik zelf achteraf verbaasd over het resultaat.”
Haar biologische kennis van de onderwaterwereld werd gaandeweg groter. „We deden waarnemingen van nieuwe soorten en slaagden er ook diverse keren in om nooit eerder vastgelegd gedrag te observeren.”
Bijzonder trots is Felice op de ontwikkeling van broedplaatsen voor inktvissen in de Oosterschelde. „We ontdekten in 1996 dat de sepia en pijlinktvis massaal fuiken gebruikten om hun eieren op af te zetten en beschutting te zoeken. Vissers vonden dat commercieel wel interessant. Om te voorkomen dat deze tentakeldieren voor consumptie werden gevangen, plaatsten wij op de bodem tentvormige opstellingen van vingerdikke platanentakken. Onze alternatieve broedplekken werden goed benut. In een topjaar telden we gedurende één duik meer dan honderd inktvissen op onze tentjes. Alles zag zwart van de eieren.”
Het sepia-project trok de aandacht van de media, inclusief de BBC en National Geografic. In 2007 ontvingen Felice de Zwart en Joop Stalenburg de
Paul Fentener van Vlissingen/AD–Natuurprijs en het daarbij behorende geldbedrag van 25.000 euro. De jury, bestaande uit drs. Ed Nijpels, Alicia Fentener van Vlissingen, Tannetta Fentener van Vlissingen, Jan Bonjer (hoofdredacteur van het AD) en Jelle Harder (de winnaar van 2006), was verrast door het project en noemt het „bewonderenswaardig dat twee mensen al hun vrije tijd besteden aan de bescherming van inktvissen.”
Een bestemming voor het geld heeft het duo al: officiële borden langs de oevers van de Oosterschelde, waarop staat waar en wanneer de inktvissen paaien. „Dan weten de vissers, de duikers en de andere bezoekers dat ze de inktvissen met rust moeten laten.’’ Felice’s grote zorg is dat onder water niets echt wordt beschermd, maar schaamteloos wordt geëxploiteerd. „Waar ik heel erg gelukkig van zou worden, is als er eens erkenning kwam voor de staat waarin de Oosterschelde ónder water verkeert. Want dat is miserabel, en ze noemen het nog wel een nationaal park. De Oosterschelde is een park tot aan de waterlijn. Stukje bij beetje brengen wij al die geheimen van onder water naar de oppervlakte. Mijn droom is enkele reservaten voor onderwaterdieren te creëren, zodat ze in de paartijd veilig zijn.”
Na het afzetten van de eieren trekt het mannetje terug naar warmere wateren, de vrouwelijke sepia’s gaan dood. Hun skeletschilden spoelen aan op het strand en worden door vogels (ook kanarie’s) gegeten. Felice droogt de poreuze schelpen en krabt ze vervolgens met bamboestokjes of satéprikkers uit tot sculptuurtjes in de vorm van zeepaardjes, zeehonden en bruinvissen.

virtuele galerie
kunstenaars