Peter Vos (° 1935 - † 2010)
kunstenaars

PETER VOS beheerste het métier van de natuurtekenkunst, maar zal als schepper van pozzebokken, giraffevrouwen, steltloper-huismussen, goudvinkmensen, sloddervossen en hondemannen nooit tot de categorie ‘gewone’ natuurtekenaars worden gerekend. Aan zijn fijnzinnige, vaak in potlood-, inkt- en aquareltechnieken uitgevoerde studies van levende en dode vogels, kikkers, padden en tal van andere gewone beesten kan menigeen echter een puntje zuigen. Ze getuigen ook van ontroering en verwondering. „Zoiets bizars en bijzonders als een groepje steltlopers in zomerkleed, die staan te slapen of toilet maken. Eens te meer besef je dat menselijke fantasie te beperkt is om zoiets indrukwekkends te verzinnen. Dat is goed, want daar word je bescheiden van en studieus.”

De tekenaar, graficus en illustrator ziet op 15 september 1935 het levenslicht in Utrecht. Zijn ouders noemen hem Petrus Antonius Carolus Augustinus. Dieren intrigeren hem al vroeg. Hij observeert vooral vogels en begint ze ook te tekenen. Zijn eerste tekenprijs krijgt Peter nog voor hij twaalf is en zijn eerste publicatie is in 1947 in de jeugdrubriek van het blad ”De Fontein”.
Op een gegeven moment wil hij vogeltekenaar worden, omdat het hem ontzettend intrigeert hoe deze dieren -„zo’n zijtak van de evolutie die fladdert”- in elkaar zitten. Niet alleen hun grondvorm en skelet boeien, maar ook hun snelle motoriek en het benijdenswaardige verschijnsel dat ze kunnen vliegen. De fascinatie daarvoor wil Vos vastleggen.
Na een gymnasiumopleiding studeert hij in 1953 af aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam. In die tijd leert hij waarnemen. „Onmiddellijk iets samenvatten en leren dat beeld in je hoofd te houden. Zo maak ik mijn vogeldagboekjes; ik zit in een stoel voor het raam dat uitkijkt op de voedertafel en maak vingeroefeningen. Het is een training, de vogels blijven nauwelijks een seconde in dezelfde houding zitten, dus moet je proberen dat beeld in je hoofd op te sluiten en dat later te tekenen. Als je het duizend keer doet, is de duizendste tekening beter dan de eerste.”
Zijn ogen flitsten heen en weer tussen onderwerp en tekenboek. Ondertussen maakte hij kleine, snelle schetsen. Vos wilde in zijn werk doorgronden hoe de structuur is. Dat geldt niet alleen voor de vogels die zo virtuoos uit zijn pen kwamen, maar ook voor de losser getekende en soms in mensenkleren gestoken andere dieren. Of Vos die wezens nu volstrekt serieus en naturalistisch weergeeft of als onderwerp voor een geestige cartoon gebruikt, de natuurvorm lag er altijd aan ten grondslag.

Peter Vos voelde zich thuis in de realistische traditie en zag zichzelf als een neefje van een oude familie tekenaars als Antonio Pisanello, Albrecht Dürer en Gustav Döre. Hij had een duidelijk herkenbaar handschrift. Soms maakte hij ‘overdreven’ veel versieringen, een eigenschap die hij zelf toekende aan zijn rooms-katholieke jeugd.
Als illustrator van het Amsterdamse studentenblad Propria Cures kwam Peter Vos in contact met Hugo Brandt Corstius, Joop van Thijn en Rinus Ferdinandusse en in hun voetspoor ging hij in 1958 voor Vrij Nederland tekenen, onder meer de leeuwtjes bij de rubriek ”Terzijde”. Ook werkte hij voor ”Hollands Maandblad” en rolden eigen boeken als ”De 100 Reigers” (1969), ”Klein Pulcinellenboek voor Anneke” (1969), ”Een studie in grijs” (1980) en ”Wat je ook niet vaak ziet” (1991) van de pers.
Dieren vervullen in het werk van Peter Vos een prominente rol. Behalve werkelijk in de natuur voorkomende dieren tekende hij, geïnspireerd door de metamorfosen uit de Griekse en Egyptische mythologie, ook veel niet-bestaande dieren, wezens die aan de onderkant menselijke vormen hebben, maar getooid zijn met een dierenkop. In zijn ”Beestenkwartet” (1970) trekt hij daarvoor alle registers van zijn fantasie open en komen de Snotaap, Belhamel, Luistervink, Mafkikker, Kamerolifant en Schijtlijster op papier. Het grappige kwartetspel met pentekeningen van mensdieren, waarvan in 1980 de zilveren editie verschijnt, is een inspiratiebron voor componist-dirigent Jurriaan Andriessen, die er in 1973 een muziekstuk van maakt.
Peter Vos is echter vooral bekend als illustrator van andermans werk. Zijn tekeningen staan in ruim honderd boeken, onder andere van Simon Carmiggelt, Renate Rubinstein, Anton Koolhaas en Toon Tellegen. Met de door hem geïllustreerde "Sprookjes van de lage landen" (1972) groeien generaties op.
Zijn figuratieve werk, met een scherpzinnige blik én groot gevoel voor humor vastgelegd, wordt diverse keren bekroond. Zo krijgt Vos –in 1996 benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw– in 1972 de Zilveren Griffel voor de illustraties in ”De Pozzebokken” (Bouke Jagt). In 1981 volgt de Jeanne Bieruma Oostingprijs voor "Tekenen" en in 1991 de Gouden Penseel voor zijn illustraties in "Lieve kinderen hoor mijn lied" (Rudy Kousbroek). De Ton Smits-penning, een jaarlijkse oeuvre-prijs voor cartoonisten, valt hem in 1994 ten deel.
Ter gelegenheid van een overzichtstentoonstelling in de Beyerd te Breda verschijnt in 1995 het boek ”Peter Vos-tekenaar” met meer dan vierhonderd reproducties van zijn werk. Hieruit blijkt zijn grote veelzijdigheid, zijn tijdens zijn gymnasiumopleiding gevormde belangstelling voor de klassieken en zijn grote liefde voor vogels, in het bijzonder mussen („Ik hou van lorrige mussen”). Dat laatste komt ook tot uiting in zijn illustraties voor de monografie ”De Huismus” (1980) van Minouk van de Plas-Haarsma, ”Een verderlichte wanhoop” (1987) van Koos van Zomeren en ”Begroeyt met pluimen” (1991) van Ed Leeflang. Als mussentekenaar wordt zelfs enkele bladzijden voor hem gereserveerd in ”Mus”, het boek dat in 2006 verschijnt ter gelegenheid van De Grote Huismus Tentoonstelling in het Natuurhistorisch Museum Rotterdam.
Als natuurliefhebber deed Vos ook mee aan enkele projecten van de
ARTISTS FOR NATURE FOUNDATION: ”Wind, Wad en Waterverf” op Schiermonnikoog (1990 en 1991) en ”De vlucht van de Kraanvogels” (1994) in de Spaanse Extremadura.
Ondanks zijn grote kennis van vogels noemde Peter Vos zich „een amateur-ornitholoog, die elke dag nog bijleert.” Zijn mini-biograaf Ben van der Velden brengt de drijfveer van de productieve tekenaar treffend onder woorden: ”Peter Vos heeft zichzelf afgebeeld als een vos met op de plaats van zijn hart een mol -omdat het hart blind is- en op zijn hand een vogel die zijn pen stuurt. Hij kan niet anders dan voortgaan met tekenen, omdat zijn vader dat wilde, omdat het een drang is als nagelbijten, omdat hij geschenken wil uitdelen en omdat hij van tekeningen houdt.”
De tekenaar overleed op 6 november 2010 in zijn woonplaats Utrecht.

kunstenaars