WIM ROMIJN slaakt op 30 september 1952 zijn eerste kreet. In een Rotterdams ziekenhuis. Enkele maanden na de geboorte verhuist hij naar de Utrechtse Heuvelrug. Op de lagere school in Soesterberg wordt zijn tekentalent opgemerkt, zodat hij met Sinterklaas en Kerst altijd de grote tekening op het bord mag maken. De wens om bosbouwkundige of dierenarts te worden, strandt op het feit dat schei- en natuurkundelessen door het frequent uitvallen van leerkrachten onvoldoende onderbouw vormen. Na de hbs volgen acht, negen „verloren" jaren op enkele accountantskantoren. Tijdens een computercursus "in een hypermodern gebouw" komt Wim tot inkeer. „In de lesruimte hing een schoolplaat van Jetses. "Lente op de akker". Op dat moment hakte ik de knoop door en besloot ik mijn studie af te breken." Vijf jaren van teken- en schilderonderricht volgen, waarna Romijn zijn baan van de ene op de andere dag opzegt en kiest voor de onzekerheid van het kunstenaarsbestaan.
Zijn uitgesproken voorkeur om paarden af te beelden, resulteert in twee kalenders voor het bedrijf Wessanen. De derde blaast hij in 1987 af, omdat een uitgever hem heeft benaderd voor het maken van zijn eerste boek. ”Het werkpaard” (1990) wordt gevolgd door ”Het boerenpaard” (1995), waarin hij niet alleen de edele viervoeters trefzeker portretteert, maar ook hun bazen of andere mensen. Na deze bestsellers rollen de ”Paardenzot” (1999), "Van Ploegpaard tot Polopony" (2003) en de vierdelige serie "Landelijke Idylle" (2004) van de pers.
Het hoofdstuk ”paard” beschouwt de illustrator als afgesloten, want vanaf 2006 legt hij zich volledig toe op het thema ”wildlife”. „Ik geniet internationale faam als paardenschilder, maar ik heb over dat onderwerp verteld wat ik moest vertellen. Natuurlijk blijf ik het trekpaard trouw maar het merendeel van mijn tijd wil ik nu wijden aan mijn tweede grote liefde: de natuur. Als kind doolde ik in mijn eentje vaak door de Soester- en Zeisterbossen om vogels te bekijken en te beluisteren. Met regelmaat en na onrustige nachten kroop ik 's-morgens om vier uur uit bed om reeën in het boerenland rondom landgoed Den Treek in Oud-Leusden te kunnen observeren. Vakanties waren altijd slopend door een onuitsprekelijke drang om in de vroege uren het gedrag van bos- en velddieren te willen bestuderen. Die ervaringen, maar ook nieuwe indrukken van de natuur ga ik voortaan vastleggen.”
Een enkele keer maakt Romijn nog een aquarel of gouache op molenaarspapier (linnen). Aan het medium acrylverf heeft hij echter zijn hart verpand. Hij identificeert zich graag met Cornelis Jetses. „Hij is mijn grote voorbeeld en bezieler. Zijn belangstelling voor de gewone man spreekt me aan. Hij was een talentvol kunstenaar en bovendien een nobel mens. Hij beeldde de arme altijd op een respectabele manier af. Ook het vuilnisbakje, het bastaardhondje, was een geliefd onderwerp voor hem".
Romijn observeert als een havik, maar krabbels op een kladblok en foto’s houden voor hem opgedane indrukken vast. Een mooie dag in het veld beleeft hij dankzij deze referenties opnieuw, wanneer in het atelier zijn penseel de vrije hand krijgt. „Niet één naturalistisch werkende natuurschilder baseert zijn werk alleen op simpele potloodstreken. De aderen op een paardeneus maak ik niet aan de hand van een veldschets. Wie dat wél lukt, mag mij dat leren!"