De interesse om de natuur te schilderen groeide geleidelijk. „Tijdens het fotograferen maakte ik in notitieboekjes soms al schetsen en tekeningen. Dat vond ik leuk om te doen. Maar op een gegeven moment wilde ik een echt schilderij maken en besloot ik begin jaren zeventig om het penseel op te pakken.”
De laatste jaren heeft het schilderen met olieverf meer de overhand. „Vooral tijdens de koude en regenachtige maanden ben ik daarmee actief.” Reulen geeft aan dat hij de natuur sindsdien met heel andere ogen bekijkt. „Een oude boomstomp of een beekje vind ik tegenwoordig ook interessant. Zelfs een heel gewone vogel als de meerkoet bekijk ik nu met een andere blik. Ik tuur zo lang mogelijk door mijn verrekijker om te weten hoe de kleurschakeringen en veerpartijen zijn.” Aan de hand van deze observaties maakt Huub een compositie, waarbij zijn uitgebreide verzameling natuurfoto’s als referentiemateriaal dient. „Zo kan het zijn dat op het schilderij de eeuwenoude eikenboom uit het stadspark in ‘mijn’ heidegebied terechtkomt.”
Schilderijen van adelaars, wisenten en grote trappen getuigen eveneens van een belangstelling voor de buitenlandse fauna en flora. Geregeld reist Reulen naar Spanje, Frankrijk, Polen, Zweden en Griekenland om inspiratie op te doen. „Temidden van die fraaie natuur besef je pas goed wat er in Nederland allemaal naar de knoppen is gegaan. Als Nederlander kost het me moeite om de rust, de uitgestrektheid en de diepte van sommige ongerepte landschappen op het schildersdoek over te brengen.”
Goed observeren is volgens hem 90 procent van het schilderswerk. „In het begin stak ik veel tijd om een dier zo goed mogelijk op het doek te krijgen en besteedde ik veel minder aandacht aan het landschap. Ik wilde te vlug resultaat zien. Tegenwoordig vind ik het uitwerken van de omgeving echter net zo belangrijk. Bomen, weipalen of beekstroompjes geven het schilderij vaak een duidelijke meerwaarde.”