Rien Poortvliet (° 1932 - † 1995)
kunstenaars

RIEN POORTVLIET noemde BRUNO LILJEFORS de ”Johann Sebastian Bach van de dierschilders”. Z’n eigen werk typeerde hij als „spruitjes in de wereld van haute cuisine”. Niet zonder trots overigens, want Michael McIntosh, redacteur van het Amerikaanse magazine WILDIFE ART NEWS, kreeg in 1991 de volgende toelichting. „Aan beide kanten van de weg roepen chef-koks: „Kom naar mij! Kom naar mij! Ik kook perfect!” Maar de mensen lopen hen voorbij en komen in mijn restaurant terecht, waar ik alleen maar spruitjes met een bal gehakt serveer.” De populairste dierenschilder van Nederland was niet geïnteresseerd in de vraag of hij al dan niet kunst zou maken. Hij beschouwde zichzelf vooral als illustrator en handwerksman. Z’n talent om als ”tekenende verteller” met zijn penseel de werkelijkheid te raken zag hij als een geschenk én een verplichting. Wie hem prees om een mooi werkstuk kreeg steevast als antwoord: „God houdt mijn hand vast.” Met een kloddertje spuug op zijn vinger smeerde hij vervolgens soms een likje verf uit…

Rien komt op 7 augustus 1932 als Marinus Harm ter wereld. De zoon van Zacharias Poortvliet en Cornelia Hermina de Boer wordt in Schiedam geboren. Al heel jong geeft hij blijk van tekentalent, maar van een schildersopleiding aan de kunstacademie kan voor Rien Poortvliet geen sprake zijn. In het gereformeerde „nest”, waarin hij als de oudste van vier zoons opgroeit, „dacht men bij het woord kunst aan naakte wijven, onmetelijke hoeveelheden alcohol, ’s nachts werken en overdag luilakken.” Zo wordt hij een autodidact, want de drang om te tekenen en te schilderen laat zich niet bedwingen. Om die reden gaat Poortvliet, na in Schiedam de lagere school en gereformeerde MULO te hebben bezocht, als jongste bediende werken op een reclamebureau.
Zijn dienstplicht vervult hij vanaf november 1952 bij de Koninklijke Marine, waar hij voor het tijdschrift ”Alle Hens” tekent. Hij dient 21 maanden, waarvan zeven als telegrafist op het vliegdekschip Hr. Ms. ”Karel Doorman”. Na te zijn afgezwaaid vindt Poortvliet in 1954 opnieuw een baan als reclametekenaar, eerst bij Stokvis en daarna bij Lintas, het reclamebureau van het voedingsmiddelenconcern Unilever, waar hij opklimt tot senior manager. Vijftien jaar lang verzorgt hij illustraties voor bekende merknamen zoals Omo, Blue Band en Royco. Deze baan biedt weliswaar de noodzakelijke bestaanszekerheid (hij is inmiddels op 23 mei 1956 getrouwd met Corrie Bouman (° 1933), zijn MULO-liefde, en vader van twee zoons), maar het werk gaat Poortvliet op den duur steeds meer tegenstaan. Hij heeft het gevoel zijn talent „voor een schotel linzenmoes” te hebben verkocht.

Al vanaf het einde van de jaren vijftig doet Poortvliet in zijn vrije tijd voor verschillende uitgeverijen illustratiewerk. Zo maakt hij kleurenomslagen en zwartwittekeningen bij de navertelde sprookjes van Leonard Roggeveen (1959), de leesboekjesreeks ”Pim, Frits en Ida” van Godfried Bomans (1966-1967) en de jeugdseries ”Lotje” (1966-1969) en ”Saskia en Jeroen” (herdruk uit 1966-1969) van Jaap ter Haar.
Op het terrein van de natuur debuteert Poortvliet met het boek ”OP VERKENNING BIJ DE DIEREN” (1959), met tekst van Han Rensenbrink. De jeugdige illustrator levert –samen met Frida Holleman– ook de plaatjes voor ”ZO LEEFT DE HOGE VELUWE” (1960). Albertus Bernard Wigman (° 1891 – † 1972), die de tekst voor dit verzamelalbum van de margarinefabrikant Rama schrijft, ziet er niet veel in dat Poortvliet daaraan een bijdrage moet leveren. „Dat jong weet niets van de natuur, waarom sturen ze die nou op m’n dak!”, hoort Mia S. Wigman haar vader zeggen. De dochter schrijft dat in 1988 in een herdruk van het boekje ”BUITEN(: de natuur het jaar bekeken)”, dat in 1972 postuum verschijnt en eveneens door Rien van illustraties wordt voorzien. „Dat jong logeert echter bij mijn ouders, wordt stevig gevoed door moeder, gaat in een geleende, veel te grote loden jas wekenlang mee op stap en leert van alles over vogels en bosdieren. Kritiek op zijn tekeningen zal stellig niet ontbroken hebben, maar hulp bij het werk, toegang tot vaders uitgebreide vakboekerij en introductie bij allerlei deskundige buitenmensen evenmin.”
ARNOLD FOEKE VAN DER WAL is één van de voornaamste personen die hem begin jaren zestig ‘ontdekt’. De hoofdredacteur van De Nederlandse Jager stuit in het Duitse blad ”Jagt und Hund” op enkele tekeningen van hem. Hij bespeurt bij Rien talent, maar ziet dat hij van jacht nog geen verstand heeft. Van der Wal nodigt hem uit in zijn legendarische hut bij Ermelo. Uit dit contact groeit een warme vriendschap. Jarenlang verschijnen zijn werken op de voor- en binnenpagina’s van De Nederlandse Jager. In een artikel (”Dood en leven”) noemt hij Poortvliet de aangewezen man om met penseel en tekenstift mensen die niets van jagen afweten de charmes en facetten rond deze „sportieve beleving” uit te leggen en aan te laten voelen. „Rien toont (..) beter dan ooit in schrift of woord mogelijk is, de kleur en de geur van het jachtbedrijf.” Poortvliet portretteert in 1977 zijn vriend in olieverf „als jager en visser in Gods vrije natuur met de knuisten aan de riemen.” Medewerkers van de Nederlandse Jager schenken Van der Wal dit doek ter gelegenheid van zijn zilveren jubileum.

Als natuurliefhebber en hartstochtelijk jager levert Poortvliet illustraties ook voor boeken als ”Jagersland” (1964), ”Alleen voor jagers” (1967) en ”Met een kluitje in het riet” (1968) van zijn jachtvriend Wil Huygen (° 1922). Zijn werk –”met een losse toets en toch gedetailleerd” (Van Wijk-Sluyterman)– wordt gewaardeerd, en eind jaren zestig stelt zijn belangrijkste opdrachtgever, C. A. J. van Dishoeck, directeur van uitgeversconcern Unieboek, hem voor fulltime boekillustrator te worden. Poortvliet besluit de stap te wagen, en in 1968 zegt hij zijn baan op. Een jaar later verhuist hij met zijn gezin van Schiedam naar een villaatje in Soestduinen, om daar temidden van de bossen in alle rust te kunnen werken. Hij maakt onder meer illustraties voor de herdrukken van de kinderboekenserie ”Eelke” (1971-1972) en de vierdelige ”Geschiedenis van de Lage Landen” (1970- 1971), beide van Jaap ter Haar. De toezegging dat er voldoende werk voor hem zou zijn, kan de uitgeverij echter uiteindelijk niet gestand doen.
Omdat hij van anderen weinig opdrachten krijgt om boeken te illustreren en hij zijn gezin met moeite kan onderhouden, besluit Poortvliet zelf een boek samen te stellen met louter tekeningen en aquarellen van eigen hand en zonder enige tekst. Als onderwerp kiest hij zijn geliefde jachtsport en het dierenleven in het bos, onderwerpen die hem na aan het hart liggen. Het werk verschijnt onder de titel
”Jachttekeningen” (1972) en is het begin van een succesvolle reeks natuurboeken, waarvoor ZKH PRINS BERNHARD hem in 1976 de “Zilveren Anjer” opspeldt. In het boek toont Poortvliet zijn grote talent als ”beestenschilder”, zoals hij zichzelf graag noemt.
In een poging aan te knopen bij dit succes publiceert hij het jaar daarop
”… de vossen hebben holen” (1973), waarin hij opnieuw de zoogdieren en vogels van de Veluwe in beeld brengt. Bij de kleurenafbeeldingen worden zijn handgeschreven toelichtingen afgedrukt. Ook dit werk wordt een succes, zij het niet bij een categorie natuurbeschermers die hierin een schijnheilige poging zien ”de jachtsport in het jasje van een lief dierenboek aan het grote publiek te slijten” (NRC Handelsblad, 16-2-1974).

Met
”Jachttekeningen” en ”… de vossen hebben holen” schept Poortvliet het genre van wat hij ”kijkboeken” noemt: educatieve plaatwerken van groot formaat waarin een bepaald onderwerp in al zijn aspecten letterlijk ”in beeld” wordt gebracht. Poortvliet is daarmee als het ware een ”omgekeerde illustrator” geworden, want in plaats van andermans teksten van afbeeldingen te voorzien, schrijft hij nu teksten bij zijn eigen illustraties of vraagt anderen dat te doen.
Dit laatste is het geval bij
”HIJ WAS EEN VAN ONS” (1974), waarin de gelovig-gereformeerde Poortvliet in 82 taferelen het leven van Jezus Christus als ”mens onder de mensen” verbeeldt met teksten van de domineedichter Hans Bouma. Hoewel minder toegankelijk dan de jachtboeken blijkt dit werk eveneens bij een breed publiek aan te slaan. Het geeft Poortvliet genoeg vertrouwen ook andere onderwerpen dan dieren in de vrije natuur te tekenen.
In het midden van de jaren zeventig besluiten Poortvliet en Huygen een quasi-wetenschappelijk naslagwerk over kabouters samen te stellen. In 1976 verschijnt hun
”LEVEN EN WERKEN VAN DE KABOUTER”. Het plezier van de auteurs in hun ”geautoriseerde flauwekul” spreekt uit iedere bladzijde van dit boek, waarin zij met speelse vindingrijkheid de verborgen wereld van het kleine volkje minutieus tot leven wekken. Het kabouterboek wordt Poortvliets grootste succes en brengt hem zijn internationale doorbraak. Het wordt in 22 talen vertaald, en over de hele wereld worden er vier miljoen exemplaren van verkocht. Als ”Gnomes” prijkt het in 1978 in de VS veertien maanden bovenaan de lijst van meest verkochte boeken. Eind jaren zeventig ontstaat zelfs een ware rage, waarop de commercie gretig inspringt met bijbehorende producten en prullaria. Poortvliet wordt er financieel onafhankelijk door en kan voortaan doen waar hij zin in had. In 1979 verruilt hij zijn ”Hans-en-Grietje-huis” in Soestduinen voor een woning met een beter atelier in Soest.
Ten dele voortbordurend op zijn in 1973 gepubliceerde boek
”TE HOOI EN TE GRAS” –waarin Poortvliet met heimwee terugblikt op het traditionele boerenbedrijf en plattelandsleven– verschijnt in 1978 ”HET BRIESCHEND PAARD”. In dit geheel aan paarden gewijde boek laat hij ondermeer tot in detail zien hoe de dieren uit de Koninklijke Stallen in gereedheid worden gebracht voor Prinsjesdag. Poortvliet kan dat mede zo exact weergeven omdat hij in 1977 op de derde dinsdag van september als lakei mag meelopen naast de Gouden Koets: „een van de mooiste dagen van mijn leven” (De Telegraaf, 24-9-1977). Deze eer heeft hij te danken aan prins Bernhard, een bewonderaar van Poortvliets werk, met wie hij bevriend raakt („Ik vind de prins een allerscharmantst, beminnelijk mens. Als hij zegt: „Kom mijn brommer eens opduwen,” dan doe ik het ook nog”) en af en toe gaat jagen. Rien geeft ZKH bovendien schilderlessen. Met achttien andere natuurillustratoren en –kunstenaars werkt hij in 1986 mee aan ”Prins Bernhard als natuurbeschermer”. Dit boekje verschijnt ter gelegenheid van de 75e verjaardag van de prins en toont enkele olieverven van Poortvliet. De prins toont zich niet alleen bereid menig eerste exemplaar van Poortvliets boeken in ontvangst te nemen, maar introduceert hem ook aan andere Europese hoven. Zo tekent Poortvliet begin 1978 de lievelingspaarden van de Britse koningin Elisabeth II en wordt hij ontvangen door de vorsten van Zweden, België en Luxemburg en de Franse president Giscard d’Estaing. Het vervult de voormalige Schiedamse jongen met immense trots: „Ik ben wel een verwende drol. Ik verschijn aan hoven of het niets is” (De Telegraaf, 19-9-1995).
In 1980 publiceert Poortvliet
”VAN DE HAK OP DE TAK”, een soort ”autobiografie in tekeningen”. In deze vrolijke verzameling gevisualiseerde herinneringen –veelal kleine gebeurtenissen met hooguit een anekdotische waarde– schuwt de illustrator de zelfspot niet. Eveneens persoonlijk van aard, maar met een strakkere chronologische opzet, is ”LANGS HET TUINPAD VAN MIJN VADEREN” (1987), waarin Poortvliet de levensgeschiedenissen van zijn voorgeslacht tussen 1600 en 1940 in beeld brengt. Het is een nauwgezet gedocumenteerd boek, waaruit een diep verlangen spreekt naar een rustiger en overzichtelijker wereld met eenvoudige en godsvruchtige mensen die in de geborgenheid van hun kleine dorpsgemeenschap opgewekt hun dagtaak verrichtten. Sociale misstanden blijven daarbij buiten beeld.
Poortvliet publiceert om de anderhalf à twee jaar een nieuw prentenboek en hij brengt vanaf 1974 jaarlijks een kalender op de markt. Om dit werktempo te kunnen volhouden, veroorlooft Poortvliet zich af en toe wel eens een kunstgreep. Zo lijkt het er op dat het boek
”DE ARK VAN NOACH, OF ERE WIE ERE TOEKOMT” (1985) ten dele is gevuld met jachttaferelen van reeën, vossen en everzwijnen die van vorige publicaties zijn overgebleven. ”AANLOOP” (1993), over de historische relatie tussen de mens en de natuur vanaf de IJstijd, bevat echter weer nieuwe tekeningen.
Naarmate zijn carrière vordert, grijpt Poortvliet steeds vaker terug naar beproefde onderwerpen. Zo krijgt ”Het brieschend paard” een pendant in het hondenboek ”BRAAF” (1983) en wordt een onderdeel van ”Langs het tuinpad van mijn vaderen” verder uitgewerkt in ”DE TRESOOR VAN JACOB JANSZ. POORTVLIET” (1991).
De neiging om oude successen te herhalen is het grootst met betrekking tot zijn bestverkopende boek, ”Leven en werken van de kabouter”. In 1981 publiceert hij hierop, samen met tekstschrijver Huygen, het vervolgdeel, ”DE OPROEP DER KABOUTERS”, terwijl postuum nog ”KABOUTER SPREEKWOORDEN” (1996) en ”HET KABOUTER KOOKBOEK” (2003) het licht zien. Veel gelijkenis qua opzet en uitvoering met het kabouterboek vertoont ”HET BOEK VAN KLAAS VAAK EN HET ABC VAN DE SLAAP” (1988) en ”TUSSEN GAAP & SLAAP” (2003), wederom met teksten van Huygen.
Tot 1985 verschijnen al Poortvliets verkoopsuccessen –onder de imprint Van Holkema&Warendorf– bij UNIEBOEK. Omdat hij zich echter op den duur steeds minder thuis voelt bij dit grote uitgeversconcern, stapt hij over naar de protestants-christelijke uitgeverij KOK in Kampen: „daar bidden ze tenminste nog voor het eten”.
Door de populariteit van zijn boeken komt Poortvliet steeds vaker in de publiciteit, en ijdel als hij is (hij geeft het zelf grif toe), mijdt hij die niet. Hij wordt geïnterviewd voor kranten en tijdschriften en vertelt op de NCRV-televisie over zijn boeken, werkt mee aan natuurprogramma’s en is jarenlang een vast panellid in het raadspelletje ”Zo vader, zo zoon”. De naam Rien Poortvliet wordt in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw een begrip, een verschijnsel. Hij wordt synoniem voor een man met een zorgvuldig gestileerd uiterlijk –met opgekrulde knevel en puntbaardje, in ribfluwelen broek en een geruit jasje met vest– die, bij voorkeur trekkend aan een pijp, op stellige wijze uiting geeft aan zijn kleinburgerlijke en nostalgische conservatisme, waarin het christelijke geloof een vaste plaats heeft.
Als publiek figuur is hij omstreden. Bij een deel van de Nederlandse bevolking is hij geliefd om zijn ongecompliceerde jovialiteit en gehechtheid aan ouderwetse normen en waarden. Zijn critici echter vinden hem zelfingenomen en gruwen van zijn oubollige populisme en moralistische uitspraken. Irritatie wekt ook Poortvliets Oranjegezindheid en al te nadrukkelijk en met veel bijbelteksten en tale Kanaäns beleden geloof. Steeds weer laat hij weten te moeten woekeren met de hem van de ”goeie God” gegeven talenten om iedereen de schoonheid van de Schepping te kunnen tonen.
De meeste weerstand ondervinden Poortvliets hartstochtelijke pleidooien ten gunste van de jacht als een noodzakelijk middel voor verantwoord wildbeheer. Het onderscheid dat hij daarbij maakt tussen jagers en ”schieters”, brengt zijn tegenstanders niet tot zwijgen. ”Rien Moordvliedt” spot één van hen (Algemeen Dagblad, 19-9- 1995).
Volgens zijn vriend Wil Huygen brengt Poortvliet echter „de wereld van het dier en zijn omgeving dwingend onder handbereik bij de van de natuur verstoken grote?stads?bewoner en evengoed bij de halve of hele buitenmens.” Ondanks zijn uitzonderlijke tekenkunst heeft Rien het niet gemakkelijk gehad, aldus de Nijmeegse huisarts. „Op kunstacademies werd het ”Poortvlietisme” als verderfelijk afgeschilderd.” Kunstcritici zien zijn werk als een belediging van de goede smaak. Men verwijt hem zijn onderwerpen te mooi en te lief te maken (”zijn herten kregen glimmende oogjes en neusjes” (Ibidem)), waardoor de grens van de kitsch menigmaal wordt overschreden. Zijn voorstellingen worden stereotiep gevonden. Hij toont steeds een ongerepte natuur met kerngezonde dieren, in een veelal vergelijkbare compositie. Poortvliets werk wordt afgewezen als ”anekdotisch, voorspelbaar, burgerlijk braaf en sentimenteel”. Met kunst zou het weinig te maken hebben, omdat het ”zo weinig aan de fantasie over[liet]” (Leeuwarder Courant, 5-10- 1984).
Deze verguizing kwetst Poortvliet diep, ook al doet hij voor de buitenwereld alsof het hem niets kan schelen. Zijn tegendraadse en ”balsturige” commentaren op de reacties van het fijnbesnaarde kunstminnende publiek doen de appreciatie van zijn werk in deze kringen geen goed. Poortvliet betitelt de kunstenaarswereld als „een aanstellerige wereld” „Ik hoor niet bij die hoogartistieke kunstenaars. Ik ben een ouderwetse gereformeerde degelijke figuur. Ik leid een heel gewoon leven, ga op tijd naar bed, en sta weer vroeg op, ga ’s zondags naar de kerk, eet bij tijd en wijle spruitjes met gehakt en ben een tamelijk gelijkmatig mens.”
Collega-illustratoren zoals Peter van Straaten en Waldemar Post bewonderen echter zijn vakmanschap. Groot is Poortvliets voldoening als prins Bernhard op 28 april 1992 het
RIEN POORTVLIET MUSEUM opent, waar de originele schilderijen, aquarellen en tekeningen van zijn boeken en kalenders te zien zijn, evenals een reconstructie van zijn atelier. Het museum krijgt onderdak in het oude raadhuis van Middelharnis op Goeree-Overflakkee: „Gelukkig ver weg van de moderne kunstbende in Amsterdam”, aldus Poortvliet (De Telegraaf, 19-9-1995). Vanwege tegenvallende bezoekersaantallen sluit het museum op 1 januari 2007 de deuren. Poortvliet ziet zichzelf als een ”ambachtsman”, die op uiterst arbeidsintensieve wijze zijn boeken voltekent en -schildert. Elk hoekje van een pagina wordt benut. Aan de dierafbeeldingen gaan grondige voorstudies en langdurige observaties in de natuur vooraf, zonder gebruik van een schetsboek. Hij heeft een ”fotografisch oog.” „Ik teken enkel en alleen vanuit indrukken die ik zelf opdoe.” Het aanraken van (dode) dieren hoort daar ook bij. Pas in het atelier zet hij, in een welhaast fotografisch realisme, de voorstelling op doek of papier. Toch romantiseert Poortvliet de werkelijkheid, waarmee hij verschilt van Liljefors. Het natuurgetrouw weergeven is Poortvliets grootste plezier, maar in de tekening moet de beschouwer op de een of andere manier ”een schilderende hand” kunnen zien. De gedreven werker staat op het standpunt dat hij aan zijn onderwerp een persoonlijke toets moet geven. „Alleen door noeste vlijt leer je het gereedschap zo te beheersen dat het doet wat de meester wil.” In oefenen, oefenen en nog eens oefenen schuilt volgens Poortvliet het geheim van een succesvolle kunstenaar. Hij kan meesterlijk innerlijke roerselen én uiterlijke ”beweeglijkheid” afbeelden. „Ik kan een olifant tekenen die op een glasplaat loopt, van onder bezien, zonder dat ik dat ooit gezien heb.”
Hij wordt in zijn werk beïnvloed door de relatie die hij met het thema heeft. Hoe dichter hij bij een bepaald dier staat, hoe beter hij het kan schilderen of tekenen. Bepaalde dieren hebben zijn voorkeur. De vorm van zijn ”uitverkoren” dieren is heel belangrijk. In een reebok bijvoorbeeld kan hij zich anatomisch heel goed inleven. Een reptiel staat gevoelsmatig echter heel ver van hem af.
Poortvliet bepaalt altijd zelf de complete indeling van zijn boeken. Zelfs de olieverfdoeken voorziet hij van eventueel in te kopiëren teksten. De beste typograaf kan hem wat dat betreft niet verbeteren. Voor de lay-outman van de uitgever is bijna niets te doen. Poortvliet moet altijd bezig zijn. Hij is het liefst thuis en vakantie vindt hij maar niets. „Ik heb met mevrouw Poortvliet kunnen afspreken, dat we niet meer verplicht op reis gaan. Ik ben eigenlijk voortdurend zwanger van een schilderij of boek. Ik móet werken. Daarom ben ik zuinig op mijn tijd. Die is kostbaar. De tijd gaat alleen zo ontzettend snel onder me door, te snel. Juist daarom ben ik blij dat ik lekker kan werken.”
De productieve illustrator overlijdt op 15 september 1995 op 63-jarige leeftijd aan botkanker. Daarmee komt een einde aan het leven van een tekenende ”verteller”, zoals hij zichzelf graag zag, in de traditie van Cornelis Jetses (° 1873 – † 1955), Johan Herman Isings (° 1884 – † 1977) en Tjeerd Bottema (° 1884 – † 1978). Vooral in technisch opzicht is hij een bijzonder begaafde illustrator, die met slechts enkele lijnen de beweging van een dierenlichaam of een gelaatsuitdrukking wist over te brengen. Hoewel Poortvliet zich met zijn ”kijkboeken” tot ver over de grenzen grote populariteit verwerft, blijven de meningen over de artistieke waarde van zijn werk verdeeld. Het aantal bewonderaars overtreft het aantal verguizers echter vele malen.
In 2002, zeventig jaar na zijn geboorte, verschijnt het gedenkboek ”DE WERELD VAN RIEN POORTVLIET”. Aan de uitgave ligt volgens Rias Olivier, familielid (”van moeders kant stammend uit hetzelfde Poortvlieten-geslacht”) en samensteller van het boek, een raamwerk van de Duitser Horst Reetz ten grondslag. „De ex-hoofdredacteur van het jachtmagazine ”Wild und Hund” was al bezig met een boek over Rien. Dat is verschenen en geheel op de jacht geënt. Op verzoek van mijn achternicht Corrie heb ik een Nederlandse versie gemaakt, waarbij aan het facet jacht één hoofdstuk is gewijd.”
In het boek vertellen vrienden en dierbaren, zoals zijn vrouw Corrie en zonen Harm en Tok (die vaders jachtdagboek erfde), hun verhalen over Rien. Het postume eerbetoon bevat tevens een bibliografie en vertelt bijzonderheden over Poortvliets techniek en zijn onderwerpen.
Gedurfd is de vergelijking met Rembrandt van Rijn. Rias Olivier: „Beiden signeerden hun schilderijen met hun voornaam. Beiden stierven op 63-jarige leeftijd. Beiden hadden de ambitie om met het penseel de spontaniteit van de beweging af te beelden. Het indrukwekkende oeuvre van Rien is echter veel groter dan dat van Rembrandt.”
En veelzijdiger. Daarom moet Poortvliet nog veel beroemder worden. „Hoewel miljoenen boeken van Rien over de hele wereld zijn verkocht, kennen mensen vaak maar een klein deel van zijn oeuvre. Voor sommigen is hij niet meer dan een illustrator van andermans werk. Anderen weten niet beter dan dat hij slechts kabouters en zandmannetjes tekende of konijntjes in de sneeuw.”
Rien Poortvliet maakte zijn lezers op een onverbloemde manier deelgenoot van zijn geloof. „Wat ik door mijn penseelstreek uitdruk is in feite niet anders dan het verlangen naar een leven met echt menselijke gevoelens in de verbondenheid met de natuur. Dat heb ik eigenlijk altijd gezocht, en ik heb geleefd in vertrouwen op God en Zijn allesomvattende schepping.” Dat God bestaat was een zekerheid voor de kunstenaar. Op zijn grafzerk ‘spreken’ Poortvliets laatste woorden: ”Ik ben wel benieuwd hoe de Eeuwige eruitziet”.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

kunstenaars