Dicht bij zijn atelier in Burum heeft Meilink vooral oog voor de kraaien. „Die vogels gaan compleet hun eigen gang. Dat spreekt me erg aan.” Verder boeien dieren uit Noord-Europa, zoals kariboes, muskusossen en elanden, hem enorm. Vooral wolven, raven en uilen prikkelen zijn verbeelding en vormen een vruchtbare voedingsbodem voor zijn werk. „Deze dieren hebben met elkaar gemeen dat ze een veelal verborgen leven leiden. We ervaren ze slechts aan de rand van onze belevingswereld. Ze vertegenwoordigen voor mij een woeste wereld die haaks staat op onze efficiënt ingerichte samenleving. Ik gebruik ze ook als middel om mijn eigen gevoel in het werk te leggen.”
Natuurfilms en -boeken bieden de kunstenaar veel inzicht in het gedrag van de dieren die hij wil afbeelden. Van het geziene maakt hij korte notities of schetsen, die van pas komen bij het maken van zijn houtskooltekeningen op papier en de olieverfschilderijen op doek. Geworteld in de figuratieve traditie streeft Meilink ernaar om een losse toets te combineren met een realistische weergave. „Ik veroorloof me een steeds grotere picturale vrijheid, maar in elk werk spelen licht en schaduw de hoofdrol.”
Van het lijfelijk schilderen van een dier wil de kunstenaar zich ontwikkelen tot wat hij zelf noemt „het onstoffelijk laten worden van een lichaam.” Zijn droom is schilderijen te maken waarin dieren zijn opgenomen in het licht. Evert Meilink heeft het gevoel dat hij daarbij nog maar aan het begin van een proces staat.