JOHANNES ADRIANUS ANTHONIUS MARIA MEIJS,
op 9 december 1953 geboren in het Brabantse Nieuwkuyk, is al op jonge leeftijd geïnteresseerd in dieren. „Ik wilde ze al vroeg houden om ze te kunnen bekijken. Mijn eerste huisdieren waren slakken, die ik ”beestjes met een wagentje” noemde. Daarna volgde er van alles: kikkers, hagedissen, eenden, duiven, fazanten. En vissen, in het begin inheemse soorten en later vooral cichliden.”
Jan die het levende spul ook probeert te tekenen, krijgt op zijn zevende het RAMA-verzamelalbum ”Zo leeft de Hoge Veluwe” (1960) van Albertus Bernard Wigman (° 1891 – † 1972) en raakt hij onder de indruk van de dierentekeningen die
en Frida Holleman daarvoor maken. „Dat wil ik later ook zo kunnen, dacht ik toen al.” Door de jaren heen ontwikkelt Meijs een eigen stijl, waarbij aquarelverf het medium is waarmee hij zijn ‘ei’ kwijt kan. Daarnaast hanteert hij ook ruim twintig jaar de kwast voor zijn baan. „Eerst als huisschilder, waarbij ik veel in het restauratiewerk zat, en daarna als reclame- en decoratieschilder.”
De natuur is in zijn directe leefomgeving binnen loopafstand. „Vroeger lag aan de noordzijde van ons dorp een prachtig slagenlandschap, langgerekte weilanden gescheiden door slootjes. Helaas moest dat wijken voor een industrieterrein. Maar gelukkig woon ik aan de zuidzijde, waar achter een eeuwenoude dijk verschillende natuurgebieden liggen met hun specifieke vogels en planten.
Je vind er De Nieuwkuykse Bossen, een oud houthakkersbos, en het Europees beschermde Vlijmens Ven, een kwelwatergebied met unieke kranswieren. In de winter verblijven er kleine zwanen en diverse ganzensoorten. Na twee kilometer gaat dit gebied over in het nationale park De Drunense Duinen. Vanuit mijn tuin kan ik de buizerds die daar broeden zien en horen.” De doorbraakplas die ook achter de dijk ligt, is een favoriete plek van Meijs. „In dit prachtige stukje natuur komen ijsvogels voor. Wanneer ik er ’s morgens vroeg met mijn honden loop, zie ik vaak de havik jagen. En de geur van het gagelstruweel herken ik nog uit mijn jeugd.”
Het zijn soms heel alledaagse dingen die de natuur boeiend maken en hem inspireren om aan een nieuwe aquarel te beginnen. „Dat kan bijvoorbeeld een mooi bemoste boomstronk zijn.” Jan Meijs schildert vooral vogels en bloemen, waarbij behalve de roofvogels en uilen ook de ‘gewone’ soorten uit zijn eigen tuin hem blijven boeien.