Marinus Adrianus Koekkoek (° 1873 - † 1944)
kunstenaars

MARINUS ADRIANUS KOEKKOEK was in zijn tijd een van de beroemdste dierentekenaar van Nederland. Hij werd op 29 januari 1873 geboren in Amsterdam en leerde de fijne kneepjes van het vak van zijn vader Willem, telg uit het vermaarde schildersgeslacht en zelf stadsgezichtschilder. Marinus behoorde tot de vierde generatie en werd doorgaans Marinus Adrianus II genoemd. Het beroemdste lid van de familie is Barend Cornelis Koekkoek (° 1803 - † 1862). Voor zijn landschapsschilderingen worden op internationale veilingen miljoenen betaald. Al jong ging Marinus’ voorkeur uit naar het schilderen van landschappen en stalinterieuren (meestal met pluimvee), terwijl hij daarnaast veel uren doorbracht met het observeren en tekenen van dieren in ARTIS. Aangestoken door het ”biologisch reveil” dat onder invloed van de onderwijzers Eli Heimans (° 1861 - † 1914) en JACOBUS PIETER THIJSSE ontstond ontwikkelde hij zich tot een liefhebber van de ‘kleine’ natuur, van de kleine dieren in hun natuurlijke omgeving op de bosgrond en in het lage struikgewas. De gelukkige combinatie van artistieke aanleg en nauwkeurig observatievermogen leidde tot opdrachten voor het illustreren van wetenschappelijke publicaties in binnen- en buitenland. Marinus kwam op 1 januari 1918 als eerste vaste tekenaar in dienst van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden, waar hij twintig jaar dit beroep uitoefende. Veel Nederlandse schoolkinderen kenden hem toen al, omdat hij de tekenaar was van 24 schoolwandplaten waarop het dierenleven in Nederland en in andere continenten te zien was. De geromantiseerde platen hingen in de eerste helft van de twintigste eeuw op alle lagere scholen. Ze werden later veelvuldig op prentbriefkaarten en kalenders afgedrukt. In 1978 verscheen het boek ”Wat is natuur nog?” (Sijthoff), waarin alle 24 platen zijn afgebeeld op dubbele kleurpagina’s. De bioloog dr. Dick Hillenius (° 1927 - † 1987) gaat in persoonlijke getinte essays in op saillante details, waarbij een kritische ondertoon soms niet ontbreekt. Koekkoeks werk past in de traditie van beroemde schoolplatenmakers als Cornelis Jetses (° 1873 - † 1955) en Johan Herman Isings (° 1884 - † 1977). De wetenschappelijk tekenaar werd speciaal door het Leidse museum aangetrokken om het vijfdelige foliowerk ”Ornithologia Neerlandica” (1929-1939) te illustreren. Dit boek, beter bekend als ”De Nederlandse vogels” van prof. Eduard Daniël van Oort, beschrijft de in Nederland voorkomende vogelsoorten. Hem werd daarbij geen artistieke vrijheid gegeven. Van Marinus Koekkoek werd geëist dat hij de vogels zo nauwkeurig schilderde dat de dieren op de tekening nagemeten konden worden. De kunstenaar, die ook enkele jaren als dierenschilder werkte voor de hertog van Bedford in Engeland, maakte alle 407 illustraties tussen 1922 en 1935. Internationaal verwierven de tekeningen uit dit standaardwerk veel lof. Ze werden (sterk verkleind) gekopieerd voor het bekende ”The Handbook of British Birds” (1938-1941) van H. F. Witherby. Later zijn 36 van deze platen op ware grootte verschenen op drie kalenders van de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Vogels (1983-1985). Koekkoek was twintig jaar wetenschappelijk tekenaar van het Leidse natuurmuseum, dat nu Naturalis heet. Zowel de originele vogelafbeeldingen van bovengenoemde publicatie als een serie platen van Nederlandse zoogdieren (die Koekkoek maakte voor een latere, nooit verschenen publicatie van Van Oort) bevinden zich daar nog steeds in de archieven. Als vrij kunstenaar schilderde Marinus Adrianus Koekkoek II impressionistische, niet uitzonderlijk artistieke landschappen met pluimvee en vogels, waarbij zijn nauwkeurige behandeling van vooral zangvogels direct in het oog springt. Hij overleed op 30 mei 1944 in Amsterdam.

virtuele galerie
kunstenaars