Pieter van der Hem (° 1885 - † 1961)
kunstenaars

PIETER VAN DER HEM zag op 9 september 1885 het levenslicht in het Friese Wirdum. De zoon van koopman Dirk van der Hem en Geertje Pieters Smids werd op twaalfjarige leeftijd wees. Een oom en tante uit Leeuwarden namen Piet op in hun gezin. Na vier jaar de rijks-HBS in deze stad te hebben bezocht, besloot hij, daartoe gestimuleerd door zijn tekenleraar J. Bubberman, zich verder als kunstenaar te bekwamen. In 1902 ging Van der Hem naar Amsterdam om daar aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid te studeren. Drie jaar later behaalde hij er de akte middelbaar tekenen. Nog tijdens deze studie volgde hij avondlessen bij A. Allebé, directeur van de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam.

Van 1905 tot 1907 deed hij de dagopleiding aan de Rijksacademie, waar hij onder meer les kreeg van de schilder N. van der Waay en de graficus P. Dupont. Van der Hem, die voor de Eerste Wereldoorlog ook kort in buitenland verbleef (Parijs, Rome, Moskou, St. Petersburg en Madrid), schilderde, aquarelleerde, tekende (veel in pastel) en was ook etser en lithograaf. In de jaren 1909-1914 gold hij, samen met jonge schilders als Piet Mondriaan, Jan Sluyters en Leo Gestel, als vertegenwoordiger van het Amsterdamse luminisme, de stroming die, uitgaande van het Franse impressionisme, vernieuwingen in de Nederlandse kunst bracht. Publiek en pers hadden veel aandacht voor zijn werk en ontvingen het overwegend met enthousiasme en bewondering. Het was echter vooral de inhoud, de voor die tijd ongewone en gedurfde onderwerpkeuze, die Van der Hem deze plaats te midden van de vernieuwingsgezinden bezorgde. Wat zijn manier van schilderen en tekenen betreft, was hij in feite geen echte modernist. Daarvoor bleven zijn vormen en kleuren altijd te veel aan de realiteit gebonden. Na het succes van de eerste jaren verslapte de aandacht voor zijn werk. Door de snelle ontwikkelingen in de Nederlandse kunst kon Van der Hem niet langer tot de avant-gardisten worden gerekend. Allengs verschoof zijn aandacht van het schilderen en tekenen van luchthartige, elegante scènes naar een krachtige figuurschildering. Zo kregen zijn te Katwijk in 1913 en te Volendam in 1917/1918 vervaardigde stukken een ernstig, soms haast somber karakter. Vanaf 1914 tekende Van der Hem ook politieke prenten.

Zijn vermogen om snelle en rake typeringen te geven, maakte hem in dit genre zeer geliefd. Toen de Duitse censuur in 1941 de Nederlandse pers geheel beheerste, staakte Van der Hem zijn activiteiten als politiek tekenaar. Na de oorlog ging hij hier niet mee verder, en tot zijn overlijden op 24 april 1961 concentreerde hij zijn aandacht volledig op het portretschilderen. Vanaf 1918 was er nauwelijks sprake van vrij werk, want hij schilderde –afgezien van enkele taferelen gewijd aan zijn hobby, de jacht– nog vrijwel uitsluitend in opdracht. Dit besluit zal waarschijnlijk zijn ingegeven door een gebrek aan motivatie. Van der Hem was namelijk geen kunstenaar die in isolement kon werken, zonder de respons en waardering van een publiek. Door zich in het schilderen van portretten te specialiseren, wist hij zich daarvan opnieuw verzekerd. Daarnaast zal zijn voortdurende angst voor geldnood een rol hebben gespeeld. Van der Hems vaktechnische bekwaamheid en het belang dat hij ook zelf aan een goede gelijkenis hechtte, maakten hem tot een succesvol society-portrettist, hoewel zijn werk zelden uitblonk door psychologische diepgang.

In de loop der jaren werden vele prominenten door hem afgebeeld, onder wie de danseres Mata Hari, minister M. W. F. Treub, de actrice Fie Carelsen en admiraal C. E. L. Helfrich. Naam maakte hij met regeringsopdrachten als het groepsportret ”Ministerie Cort van der Linden” (1922), het statieportret ”De koninklijke familie” (1925/1926) en de ”Huwelijksinzegening van prinses Juliana en prins Bernhard” (1937). Zijn passie voor de jacht kwam tot uitdrukking in zijn jachttaferelen. In het Rijksmuseum Twenthe, waar Van der Hem in 1953 exposeerde, bevinden zich zes olieschilderijen met dieren (dassen) en waterwild. Zijn illustraties verschenen lange tijd in het blad ”De Nederlandse Jager”.

In 1924 verzorgde hij ook de omslag van ”De jacht in beeld”. Deze uitgave bundelde tekeningen van Nederlandse en buitenlandse jachttekenaars zoals Jan van Essen, de broers Tjerk en Tjeerd Bottema, Johan Hendrik van Mastenbroek en de Zweed Bruno Andreas Liljefors.

virtuele galerie
kunstenaars