PIETER VAN DER HEM zag op 9 september 1885 het levenslicht in het Friese
Wirdum. De zoon van koopman Dirk van der Hem en Geertje Pieters
Smids werd op twaalfjarige leeftijd wees. Een oom en tante uit Leeuwarden namen Piet op in hun gezin. Na vier jaar
de rijks-HBS in deze stad te hebben bezocht, besloot hij, daartoe
gestimuleerd door zijn tekenleraar J. Bubberman, zich verder als
kunstenaar te bekwamen. In 1902 ging Van der Hem naar Amsterdam om daar aan de Rijksschool voor
Kunstnijverheid te studeren. Drie jaar later behaalde hij er de akte
middelbaar tekenen. Nog tijdens deze studie volgde hij avondlessen bij A.
Allebé, directeur van de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in
Amsterdam.
Van 1905 tot 1907 deed hij de dagopleiding aan de
Rijksacademie, waar hij onder meer les kreeg van de schilder N. van der
Waay en de graficus P. Dupont. Van der Hem, die voor de Eerste
Wereldoorlog ook kort in buitenland verbleef (Parijs, Rome, Moskou, St.
Petersburg en Madrid), schilderde, aquarelleerde, tekende (veel in pastel)
en was ook etser en lithograaf. In de jaren 1909-1914 gold hij, samen met
jonge schilders als Piet Mondriaan, Jan Sluyters en Leo Gestel, als
vertegenwoordiger van het Amsterdamse luminisme, de stroming die,
uitgaande van het Franse impressionisme, vernieuwingen in de Nederlandse
kunst bracht. Publiek en pers hadden veel aandacht voor zijn werk en
ontvingen het overwegend met enthousiasme en bewondering. Het was echter
vooral de inhoud, de voor die tijd ongewone en gedurfde onderwerpkeuze,
die Van der Hem deze plaats te midden van de vernieuwingsgezinden
bezorgde. Wat zijn manier van schilderen en tekenen betreft, was hij in feite
geen echte modernist. Daarvoor bleven zijn vormen en kleuren altijd te
veel aan de realiteit gebonden. Na het succes van de eerste jaren
verslapte de aandacht voor zijn werk. Door de snelle ontwikkelingen in de
Nederlandse kunst kon Van der Hem niet langer tot de avant-gardisten
worden gerekend. Allengs verschoof zijn aandacht van het schilderen en
tekenen van luchthartige, elegante scènes naar een krachtige
figuurschildering. Zo kregen zijn te Katwijk in 1913 en te Volendam in
1917/1918 vervaardigde stukken een ernstig, soms haast somber karakter.
Vanaf 1914 tekende Van der Hem ook politieke prenten.
Zijn vermogen om snelle en rake typeringen te geven, maakte
hem in dit genre zeer geliefd. Toen de Duitse censuur in 1941 de
Nederlandse pers geheel beheerste, staakte Van der Hem zijn activiteiten
als politiek tekenaar. Na de oorlog ging hij hier niet mee verder, en tot
zijn overlijden op 24 april 1961 concentreerde hij zijn aandacht volledig
op het portretschilderen. Vanaf 1918 was er nauwelijks sprake van vrij
werk, want hij schilderde –afgezien van enkele taferelen gewijd aan zijn
hobby, de jacht– nog vrijwel uitsluitend in opdracht. Dit besluit zal
waarschijnlijk zijn ingegeven door een gebrek aan motivatie. Van der Hem
was namelijk geen kunstenaar die in isolement kon werken, zonder
de respons en waardering van een publiek. Door zich in het schilderen van
portretten te specialiseren, wist hij zich daarvan opnieuw verzekerd.
Daarnaast zal zijn voortdurende angst voor geldnood een rol hebben
gespeeld. Van der Hems vaktechnische bekwaamheid en het belang dat hij ook
zelf aan een goede gelijkenis hechtte, maakten hem tot een succesvol
society-portrettist, hoewel zijn werk zelden uitblonk door psychologische
diepgang.
In de loop der jaren werden vele prominenten door hem
afgebeeld, onder wie de danseres Mata Hari, minister M. W. F. Treub, de
actrice Fie Carelsen en admiraal C. E. L. Helfrich. Naam maakte hij met
regeringsopdrachten als het groepsportret ”Ministerie
Cort van der Linden” (1922),
het statieportret ”De
koninklijke familie” (1925/1926) en de ”Huwelijksinzegening
van prinses Juliana en prins Bernhard” (1937). Zijn passie
voor de jacht kwam tot uitdrukking in zijn jachttaferelen. In het
Rijksmuseum Twenthe,
waar Van der Hem in 1953 exposeerde, bevinden zich zes olieschilderijen
met dieren (dassen) en waterwild. Zijn illustraties verschenen lange tijd
in het blad ”De Nederlandse Jager”.
In
1924 verzorgde hij ook de omslag van ”De jacht in beeld”. Deze uitgave
bundelde tekeningen van Nederlandse en buitenlandse jachttekenaars zoals
Jan
van Essen, de broers Tjerk en Tjeerd Bottema, Johan Hendrik van
Mastenbroek en de Zweed Bruno Andreas Liljefors.