|
JOHANNES CORNELIS VAN ESSEN was een van de eerste Nederlandse schilders die zich
toelegden op het ”dierentuindier”. Vooral katachtigen hadden zijn
voorliefde. Van Essen zag op 25 januari 1854 in Amsterdam het levenslicht.
Zijn vader is koopman en sigarenfabrikant, maar Jan is ongeschikt voor de
handel. Hij kreeg uiteindelijk toestemming om bij kunstschilder P. C.
(”Koen”) Greive in de leer te gaan. Na tweeëneenhalf jaar werkte Jan
ook nog een poosje bij de Larense tekenleraar Hendrik Valkenburg. Maar al
gauw huurde de jonge Van Essen een eigen atelier in Amsterdam; hij is dan
amper twintig jaar. Aanvankelijk schilderde hij portretten en
genrestukjes, gevolgd door landschappen en stadsgezichten. Op 31-jarige
leeftijd legde Jan zich toe op het dierengenre. Hij volgde daarmee het
advies op van John Macallan Swan (° 1847 - † 1910), die in 1885
Amsterdam bezocht. Deze Engelse schilder genoot internationale faam om
zijn schilderijen van leeuwen. Jan bezocht drie jaar lang dagelijks Artis. De heer met gouden
lorgnet en geklede jas trok in de dierentuin vanwege zijn uiterlijk nogal
de aandacht. Zijn krijttekeningen of ”krabbels” gebruikde hij thuis
als voorbeelden voor zijn schilderijen en monumentale aquarellen die bij
rijke verzamelaars zeer in trek waren. In tegenstelling tot Swan toonde
Van Essen zijn katachtigen in gevangenschap, want hij was gefascineerd
door hun door tralies bedwongen kracht. Naar eigen zeggen zou het dier,
indien het zou worden afgebeeld in een landschap, gereduceerd worden tot
een schoothondje en zou de textuur van de stugge gouden vacht niet
tastbaar genoeg ogen. Op de vraag waarom hij niet op reis gaat om het land
te zien waarin zijn favoriete dieren thuis horen, antwoordde hij: „Ik
ben bang, dat ik ’t er lelijk zou vinden en dat ik daarginds een
mogelijk veel juistere, maar lelijker indruk der dieren zou ontvangen.
Hier in ’t hok met de dikke ijzeren tralies zie ik het gevangen dier,
dat als het ’t wilde, zijn bewakers en gevangenis zou kunnen
verpletteren. Daarginds is hetzelfde grootsche dier een stipje in de
oneindigheid der woestijn.” In 1892 verhuisde Van Essen naar
Scherpenzeel, waar hij zeven jaar in het zogenaamde ”Hooge Huis” aan
de Dorpsstraat woonde. De niet onbemiddelde kunstenaar vroeg een jachtakte
aan en pachtte een eigen jachtgebied. Hij maakte veel schetsen en
tekeningen van het jachtbedrijf, onder andere voor het blad De
Nederlandsche Jager. Op 11 september 1894 overkwam hem een ongeluk. Bij
het klimmen over een hek en door toedoen van zijn hond ging zijn geweer af
en kreeg hij een volle lading hagel in zijn linkerarm. Een gedeelte van
zijn arm wordt geamputeerd, maar twee maanden later tekende en schilderde
hij weer dieren, met een kunsthand. In 1899 verhuisde hij met zijn vrouw
Wilhelmina Christina Gruijters (° 1881 - † 1936) naar Den Haag, waar
het kinderloze echtpaar veertien jaar woonde. Op 25 maart 1913 verlieten
beiden echter de residentie om zich voorgoed opnieuw in Scherpenzeel te
vestigen. Van Essen overleed vier maanden na zijn vrouw, op 23 mei 1936.
In 1924 verschenen zijn tekeningen in het ”De jacht in beeld”. Deze
uitgave bundelde werk van Nederlandse en buitenlandse jachttekenaars zoals
PIETER VAN DER HEM, de
broers Tjerk en Tjeerd Bottema, J. H. van Mastenbroek en de Zweed Bruno
Andreas Liljefors. Behalve in Nederland exposeerde Van Essen in Australië
(Melbourne, 1881), Frankrijk (Nice, 1883), België (1884), Duitsland
(Keulen, 1889; München, 1905), de VS (St. Louis, 1904; San Francisco,
1916). Ter gelegenheid van zijn 70e verjaardag kreeg hij in
1924 een eretentoonstelling in ”Arti et Amicitiae” te Amsterdam. De
Vereniging Oud Scherpenzeel wijdde in 1987 een eendagsexpositie aan hem.
Werk van Van Essen bevindt zich onder andere in het Rijksmuseum
(”Schetsen van een pelikaan in Artis”, 1880), het Stedelijk Museum
(”marabou”), het Rijksprentenkabinet en Museum Willet Holthuijsen,
alle drie te Amsterdam, Museum Boymans te Rotterdam, het Gemeente Museum
en het Rijksmuseum H. W. Mesdag, beide te Den Haag, Rijksmuseum Kröller-Müller
in Otterloo, Stedelijk Museum te Schiedam en het Staatsliches Museum te München.
Het Teylers Museum in Haarlem kocht in 1896 zijn aquarel ”Leeuw en
leeuwin” aan, terwijl de gemeente Nunspeet in 1953 de krijttekening
”Twee leeuwen” uit een legaat ontving.
|