CHARLES DONKER
bezoekt tussen 1956 en 1961 de Koninklijke Academie voor Kunst en Vormgeving in Den Bosch. Hij doet eindexamen in de afdeling monumentale kunst, met name wandschilderingen, glas-in-lood ramen en mozaïeken. Pas na zijn studie richt hij zich op de etskunst, waarbij Donker zich ontpopt als een bevlogen uitbeelder van de vegetatieve natuur.
De intimiteit die zijn werk uitstraalt, wordt bereikt door Donkers voorkeur om dagenlang buiten, temidden van de natuur, te werken. „Ik heb nooit plannen; fietsend of lopend word ik door iets geraakt, dat ik dan onmiddellijk wil vastleggen.” Direct op de etsplaat of in zijn dagboek. Dus niets thuis uitwerken. „Ik kan niet uit m’n hoofd tekenen. Ik moet het voor mijn ogen zien om het te kunnen registreren. Ik moet een band krijgen met de plek waar ik zit.”
Z’n werkwijze wordt daarom grotendeels bepaald door stilzitten, wachten en kijken. Ter plekke krast hij met een metalen stift ijle lijnen in een met een zuurbestendige laag afgedekte koperplaat. Z’n exercities met de etsnaald hebben veel weg van stunten op de centimeter, met stipjes, streepjes en lijntjes. In het atelier laat de grafisch kunstenaar de buitenschets met een bijtend zuur tot ets transformeren. Het lukt hem het veelkleurige dekbed van een eend te verbeelden in evenzo bonte tonen tussen wit en zwart.
Uit zijn werk spreekt een indrukwekkend observatievermogen en geduld. ”Niemand in Nederland heeft na de tekeningen van de Verkade-albums de dierenwereld zo nauwgezet in beeld gebracht”, schrijft Ad van der Blom in de bibliografie ”Tekenen dat het gedrukt staat” (1978). ”Het handschrift van Donker, met zijn stippen en korte strepen, gaat nog veel dieper op de zaak in dan aquarellen ooit kunnen.”
Zijn grafiek laveert tussen speelse dan weer strenge composities die de sporen dragen van de natuurstudies van Dürer, maar ook van Jan Mankes. Een ander spoor dat door zijn werk loopt, is dat van de wisseling der seizoenen, het voorbijgaan van het leven. De dood is gewoon. In de afstandelijk aandoende vorm toont Donker zich een verwonderd observator en vooral een bewogen vinder.
De ”graficus van het milieu”, die (ondanks een lichte vorm van kleurenblindheid) ook een begaafd aquarellist en pentekenaar is, werkt niet alleen in Nederland, maar neemt zijn etsgerei ook mee naar het buitenland (onder andere Frankrijk, Spanje, Polen). In 1990 is hij deelnemer aan het project ”Wind, Wad & Waterverf”, waarbij een internationaal gezelschap van 25 kunstenaars Schiermonnikoog portretteren. In 1992 neemt hij als een van de 32 kunstenaars deel aan ”Leven tussen land en water”, een gezamenlijk project van de Artists
For Nature Foundation en het internationale WWF in de moerassen langs de Poolse rivieren de Biebrza en de Narew. In februari 1993 is de etser een van de 58 natuurkunstenaars die het landschap van de Extremadura artistiek in beeld brengen. Met 18 andere kunstenaars bezoekt hij in 2003 in het kader van het grensoverschrijdende ”Tumbes”-project Peru en Ecuador om de laatste restanten van de droge bossen in de regio van Tumbasion, ten westen van de Andes, in beeld te brengen. In 2004 is de kunstenaar betrokken bij het ”Great Fen”-project in Engeland en het jaar daarna is hij met twintig andere collega’s actief om alle 22 molens van het Utrechts Landschap voor het voetlicht te halen.
Donker heeft in diverse musea in Nederland en Frankrijk geexposeerd. Omdat zijn fijnzinnige registraties van de natuur –landschappen, vogels, insecten, schelpen, bloemen, planten– tot de hoogtepunten van de hedendaagse grafiek behoren, geeft de Hercules Segers Stichting, vernoemd naar een van de grootste Nederlandse prentkunstenaars uit de 17de eeuw, in 2002 de monografie ”Charles Donker, etser” uit. Ter gelegenheid daarvan houdt Museum het Rembrandthuis in datzelfde jaar een overzichtstentoonstelling van zijn grafische oeuvre.
|