|
PIETER DANIËL DIK
wordt op 28 september 1943 in Alkmaar geboren. Zijn vader, postbode van beroep, restaureert in zijn vrije tijd antieke meubelen of trekt er op uit om vogels te kijken. De liefde voor de natuur draagt hij over op zijn oudste zoon Pieter, die al jong het penseel oppakt. Op achtjarige leeftijd maakt de knaap zijn eerste tekeningen.
„Een jaar later schilderde hij in olieverf deze ossenkop van een oude meester na”, vertelt echtgenote Gerda Dik-Kager (° 1944) in ”De Arend”, een rietgedekte cottage aan de rand van Schoorl, voor Dik een droomhuis. Behalve het fraai geschilderde paneeltje bewaart de weduwe eveneens een vroege aquarel van hem als een kleinood. „Hij maakte dit op Texel toen hij vijftien was.” Na de ambachtschool wordt Pieter kerkorgelbouwer bij de firma Flentrop. In die periode schildert hij al doekjes. „Hij signeerde z’n werk eerst met ”Piet”, daarna met ”Dik” en uiteindelijk met ”Pieter Dik”.”
Mevrouw Dik leert de autodidact in 1972 kennen, krijgt twee dochters en is tot zijn dood met hem getrouwd. „M’n man was een rusteloos natuurmens. Hij voelde zich altijd onzeker. Hij was echter een geboren kunstenaar. Zijn schilderijen bewegen!”
Dik, die zich vanaf 1965 beroepshalve aan het schilderen wijdt, ziet zichzelf meer als een ambachtsman. „Ik heb gewoon een beroep, een technisch zeer moeilijk beroep”, zegt hij in 1981 tegen de Telegraaf-journalist Willem Hartering. „Wat ik maak moet exact kloppen en het moet altijd op het hoge niveau staan.”
Dik brengt veel tijd door met het observeren van dieren in de nabijgelegen duinen en later in de Veluwse bossen. Ook doet hij inspiratie op in Schotland en Zweden.
ARNOLD FOEKE VAN DER WAL introduceert Dik in jachtkringen. De kunstenaar portretteert hem ter gelegenheid van diens zestigste verjaardag met zijn lievelingshond Paupi. Een afbeelding van dit oliedoek siert op 30 mei 1985 bovendien de cover van de Nederlandse Jager. In 1985, bij de opening van een door `
KEES BOS georganiseerde ”Wild en Landschap”-tentoonstelling in natuurmuseum Bos’ Dierenwereld, onthult de hoofdredacteur hoe Diks vrouw via de telefoon met „een lief en bescheiden vrouwenstemmetje” het eerste contact probeert te leggen. Zij stuurt hem na het gesprek twee dia’s, waarna Van der Wal
RIEN POORTVLIET belt: „Er komt een vent aan die je naar de kroon gaat steken.” Als deze de afbeeldingen ook bekijkt, geeft hij toe: „Dat is een heel handige vent, maar voorlopig kan ik hem wat wildstudies betreft nog wel aan.” Dik ontwikkelt zich volgens Van der Wal in een bliksemcarrière en is kind aan huis in zijn hut, waar ook een ingelijste houtsnip van de kunstenaar hangt. „Voor mijn gevoel geheel perfect”, oordeelt Van der Wal, die vindt dat zijn „beste vriend” veel te jong gestorven is, „want hij had alle schilderachtige eigenschappen in zich om een top te bereiken als de door hem zo bewonderde
BRUNO LILJEFORS, waartoe naast de juiste vormgeving ook zeker een dichterlijk talent behoort. En een visueel geheugen.”
Met die laatste eigenschap maakt Herman Stegeman (° 1932 - † 1988) kennis na een gezamenlijk uitstapje op Texel. Bij thuiskomst stelt Dik na de maaltijd voor „die Slufter eens eventjes op het doek te slingeren.” Een uur later is het doek klaar en ziet de natuurfotograaf een wild bewogen zee, voort stormende wolken, de duinenrij in de verte, een paar vogels. Exact zoals zij het die dag gezien en ervaren hebben. Dik geeft Stegeman het schilderij vervolgens cadeau.
De kunstenaar maakt nooit gebruik van foto’s. „Nee, want echt goede foto’s zijn in de jagerswereld bekend en het zou direct opvallen als ik een foto had nageschilderd. Mijn kracht is, dat ik geen beestjes in een landschap maak, nee, ik laat de dieren een zijn met het landschap. Ze moeten opgaan in de vegetatie waarin ze thuishoren.”
Dik meent dat sommige schilders te veel op inspiratie wachten. „Ik ga gewoon aan het werk en al werkende ontstaat er dan iets onder mijn handen. Opeens komt het eruit, rijst het voor me op en dan is er de inspiratie. Maar als je niet begint, komt die inspiratie ook niet.”
De kunstenaar, die een impressionistische stijl hanteert, heeft een enorm werktempo en bouwt in betrekkelijk korte tijd in Nederland, Groot-Brittannië, Scandinavië, Frankrijk, Duitsland, België, Canada en de VS een grote naam op als ”wildlife painter”. Zijn werk komt wereldwijd voor in privé-collecties. Zo koopt de Belgische koning Boudewijn (° 1930 - † 1993) een ”Pieter Dik”. Het Engelse museum
NATURE IN ART bezit eveneens twee olieverven en het
LEIGH YAWKEY WOODSON
ART MUSEUM (”Birds in Art” in 1982 en 1983) neemt zijn ”houtsnip” op in de collectie. De kunstenaar zelf blijft er bescheiden onder. Gerda Dik: „Bij een opening van een tentoonstelling was m’n man plotseling verdwenen. Prijzen en onderscheidingen nam hij nooit in ontvangst. Pieter wilde niet op de voorgrond treden.”
Op 30 mei 1984 overlijdt Dik als gevolg van een slopende ziekte. Ter gelegenheid van de 75e verjaardag van
PRINS BERNHARD worden in 1986 enkele van Diks schilderijen postuum getoond op een tentoonstelling van natuurkunst in het Singer Museum te Laren. In 2006 veilt Christie’s voor de eerste keer diverse werken van de wildschilder en biedt zijn echtgenote van twaalf schilderijen
GICLÉE’s in een zeer beperkte oplage te koop aan.
|
|