Carl Brenders (° 1937)
buitenlandse kunstenaars

CARL BRENDERS komt als Charles op 30 juni 1937 in Wilrijk ter wereld, een randgemeente van Antwerpen. „Het was daar prachtig! Het mooiste boerenlandschap dat je je kon denken: weiden, korenvelden, heggen, dikke paarden. Ik leefde daar in een schilderij.” De enige zoon in een gezin met zes kinderen is veel buiten te vinden. „Ik trok er in m’n eentje op uit om bijvoorbeeld dikkopjes en salamanders te vangen. En elk weekend kampeerden we of maakten vader en moeder lange wandelingen met ons, zo zelfs dat we soms afgepeigerd thuis kwamen.”
Al jong beleeft Carl ook plezier aan tekenen, waarbij hij niet om onderwerpen verlegen zit. Wanneer V1-bommen Antwerpen bestoken en het gezin soms maandenlang in de schuilkelder moet verblijven, legt hij met potlood de Britse Spitfires en Duitse tanks en soldaten vast. „Ik zat constant te tekenen en had dus geen last van zenuwen. Papier was er genoeg; vader werkte op een bank en nam telkens weer een nieuwe voorraad mee.”
Van zijn vader erft Carl de liefde voor de natuur, de belangstelling voor tuinieren van zijn moeder, een boerendochter. „Haar wortels liggen in Obbicht, een dijkdorpje aan de Maas bij Sittard. Elke zomervakantie gingen we er op vakantie. Ook daar was het prachtig.” Omdat Carl niets anders doet dan tekenen, laat vader de hoop varen dat zijn zoon ook bankemployee zal worden en stuurt hem naar het Technicum, een vakschool van de Aalmoezeniers van de Arbeid in Antwerpen. „De opleiding richtte zich zowel op het beroep van huisschilder als dat van publiciteitsschilder. Ik raakte vertrouwd met allerlei pigmenten, leerde verf maken en letters ontwerpen, maar ook technieken om hout en marmer te imiteren. Ik had het er reuze naar mijn zin.”
Carl ziet sowieso dingen in zijn omgeving anders dan anderen. Onbewust. „Het viel me op dat schaduwen het reliëf van de bodem volgen. Ik keerde blaadjes om en zag dat hun vorm telkens lijkt te veranderen door een andere lichtinval. Tijdens uitstapjes naar de dierentuin van Antwerpen ontdekte ik dat de pels van een zwarte panter niet echt zwart is en een witte zwaan in de late middag juist roomkleurig is of dat de blauwe lucht zich op zijn veren weerspiegeld.” Op 16-jarige leeftijd gaat Brenders naar de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen. „Daar hebben ze me goed leren tekenen, maar na twee jaar vond ik het genoeg en besloot een baantje te zoeken.”
Brenders’ vader meent echter dat zijn zoon een diploma op zak moet hebben en stuurt hem naar de avondschool in Berchem. De docenten leggen tijdens de vier jaar durende opleiding de nadruk op moderne kunst. Carl experimenteert met dit genre, maar hij weerstaat de druk om de klassieke grondbeginselen van het schilderambacht in te ruilen voor het abstracte expressionisme. Voor iemand die het volmaakte al in de natuur heeft gevonden, verschaft deze schilderstijl geen mogelijkheden om zich te uiten. „Hoe ik het ook probeerde, het lukte me gewoon niet om er een boodschap in te leggen. Dat anderen dat wel konden, vond ik knap, maar het zadelde mij alleen maar met een grote frustratie op. Ik heb al die jaren niets uitgevoerd, maar haalde wel het diploma.”
Als illustrator verdient Brenders ondertussen de kost bij diverse reclamebureaus en uitgevers. „Ik schilderde met plakkaatverf en gouache achtergronden voor bioscoopfilms. Bij een andere firma maakte ik met waterverf een serie miniatuurtekeningen over de geschiedenis van de scheepvaart. Die plaatjes zaten bij een chocoladereep en kon je sparen. Door deze opdracht kwam ik in een studio terecht waar postordercatalogi werden gemaakt. Tegenwoordig fotograferen ze elk product, maar toen werd alles getekend. Speelgoed, damesondergoed, matrassen, noem maar op. In kleur. Ik heb alles geschilderd wat je je maar kunt voorstellen, maar mijn voorkeur ging altijd uit naar de bontjassen. Ik vond het toen al prachtig een pels zo echt mogelijk weer te geven.”
In 1970 besluit Carl freelance zijn brood te verdienen. Een uitgever in Brussel heeft belangstelling voor een serie over uitstervende dieren, een supermarktketen brengt chromo’s („mijn eerste prints!”) van vogels, vlinders en katachtigen van zijn hand uit. In het tijdschrift Kuifje verschijnen eveneens geregeld zijn afbeeldingen van vogels. Ook de Franse uitgeverij Hachette is onder de indruk van de natuurtekeningen en vraagt hem vijf delen van een jeugdboekenserie over het geheime leven der dieren te illustreren. „Die boeken zijn in twaalf talen verschenen.”
Dat ook het publiek animo voor Brenders’ werk heeft, blijkt in 1979 tijdens een eerste groepstentoonstelling in Brussel. „Een vermogend persoon opende een galerie met ”wildlife art” en nodigde me uit om te exposeren. De vier originele illustraties die ik bracht waren binnen een mum van tijd weg. In die twee weken zijn er uiteindelijk zestien verkocht.”
De kunstenaar, die een jaar later met het werk van Robert Bateman in aanraking komt, gaat grotere schilderijen maken en begint ook buiten de landsgrenzen te exposeren, in Spanje, Duitsland en Frankrijk.
GÉ NIJHUIS van ’t KUNSTHUIS VAN HET OOSTEN in Enschede nodigt hem diverse keren uit om mee toen aan de internationale expositie ”Wild in de natuur”. Via Christiane Thorn-Katcham belandt Brenders in 1983 in de Verenigde Staten. „Deze Belgische zakenvrouw verkocht jachtspullen in Amerika en zag dat wildlife-schilderijen daar 60.000 dollar opbrachten. Ze wilde verzamelaars warm maken voor het werk van mij en enkele andere Europese kunstenaars. Amerika was voor mijn beleving echter een ver land. Ik was 46 jaar, had nog nooit in een vliegtuig gezeten en was bovendien armlastig. Maar deze dame, die nu nog steeds mijn agent is, bood me een ticket aan.”
Tijdens zijn eerste tentoonstelling in Trailside Galleries te Jackson Hole in Wyoming („een paradijs voor natuurliefhebbers”) verkoopt Brenders al zijn werk. „Ik schilderde uitsluitend Europese diersoorten, maar had al snel door dat Amerikanen meer belangstelling hadden voor hun wildlife en dat van Afrika.” Dat wordt nog duidelijker tijdens een gesprek met Robert (”Bob”) Lewin, oprichter van Mill Pond Press en uitgever van ”wildlife art prints”. Deze legt Brenders een contract voor en sindsdien zijn van 175 originele schilderijen duizenden reproducties in een gelimiteerde oplage uitgebracht. De ster van de Vlaming rijst tot ongekende hoogte. „Ik was een simpele knul, maar door de prints raakte ik overal in Amerika en Canada bekend.”
Nadat het
LEIGH YAWKEY WOODSON ART MUSEUM in 1984 het schilderij ”Merlins on the nest” (smelleken) selecteert voor ”Birds in Art”, is zijn werk jaarlijks te zien tijdens deze internationale vogelkunsttentoonstelling. In 2002 benoemt het museum in Wausau (Wisconsin) hem zelfs tot Master Artist, wat hij als een hoogtepunt in zijn carričre beschouwt. Zelf heeft Brenders veel waardering voor het werk van Ray Harris-Ching („Mijn idool, maakt kunst met een grote K”), maar ook zijn goede vriend ROBERT BATEMAN, Axel Amuchástegui, RIEN POORTVLIET, Bob Kuhn, Richard Sloan, Chris Bacon en Carel Pieter Brest van Kempen behoren tot zijn favorieten. In 1994 verschijnt zijn eerste boek ”Wildlife: the nature paintings of Carl Brenders” (Harry N. Abrams/Mill Pond Press), waarin ruim vijftig schilderijen staan afgebeeld, terwijl de Engelse uitgeverij Langford Press begin 2007, aan de vooravond van zijn zeventigste verjaardag, ”PRIDE OF PLACE” van de pers laat rollen.
Hoewel hij gedurende zijn carričre in veel landen heeft geëxposeerd, richt Brenders zich tegenwoordig uitsluitend op de VS en Groot-Brittannië. Zo kunnen Europeanen de ruim 150 verschillende reproducties bezichtigen in The John Southern Gallery (
www.johnsoutherngallery.co.uk) in Cornwall. „John Southern, die ook eigenaar van het Dobwalls Adventure Park in Liskaerd is, zag in 1999 mijn ”Miles to Go” en besloot alles van mij te verzamelen. Zijn galerie beschikt nu als enige in de wereld over de complete collectie.”

Mill Pond Press brengt jaarlijks nog nieuwe reproducties van Brenders’ schilderwerk uit en om nieuwe inspiratie op te doen pakt de tengere en bijzonder kwieke kunstenaar geregeld zijn koffers. Twee keer per jaar bezoekt hij met plezier Noord-Amerika („Yellowstone National Park heeft mijn hart gestolen; toen ik er voor het eerst kwam heb ik er staan wenen”) en keert dan met een hoofd vol indrukken terug.
Maar Carl is ook graag thuis, in zijn huis in Frankrijk of in België, waar hij met zijn vrouw Paula woont. In zijn geboorteland kent bijna niemand hem. Wars van uiterlijk vertoon geniet Brenders van die anonimiteit. Hij concentreert zich liever op zijn schilderwerk dan op faam en fortuin. „Ik wil dat juk niet op mijn schouders”, vertelt hij in zijn knusse atelier, terwijl een eekhoorn voor het raam uit de dakgoot drinkt.
De Vlaming verzamelt Zwitserse modeltreinen, speelt tennis met zijn kleinkinderen, vindt skiën heerlijk en lust graag een glas wijn. Maar verder verkiest hij een sobere levensstijl. „Het is de enige manier om de wereld gezond te houden. Mijn grootste bezorgdheid is het milieu. Wij Westerlingen verspillen onze natuurlijke rijkdommen op een afschuwelijke manier. We naderen de drempel waarbij de technologie het tempo van de menselijke consumptie amper kan bijbenen.”
Van nature heeft Brenders geen somber karakter („ik ben optimistisch van aard”), maar de achteruitgang van de natuur deprimeert hem. De kunstenaar ziet met lede ogen aan hoe de fauna en flora worden verkwanseld en onder allerlei milieuproblemen gebukt gaan. Diverse soorten die hij schildert worden in hun bestaan ernstig bedreigd of zijn al verdwenen. „Door mijn schilderijen probeer ik de ogen van het publiek te openen.”

Heeft Brenders een neus voor wat het publiek graag ziet? „Laat ik het anders zeggen: het publiek waardeert het werk wat ik zelf graag maak. Dat kunnen allerlei onderwerpen zijn.” Dat neemt niet weg dat de kunstenaar alles kan schilderen. Zo zou hij best een grizzly willen afbeelden die een bisonkalf te grazen neemt. Maar dat verkoopt niet: „Amerikanen zien liever geen bloed.”
De compositie van een schilderij bepaalt de kunstenaar zelf, maar voor de uitwerking doet hij een beroep op fotografie. Bakken met duizenden kleurenopnamen staan in zijn atelier, keurig gerangschikt op land, omgeving, vegetatie of diersoort. „Ik kan niet twee maanden voor een hol gaan zitten om vossen te schetsen. Een foto dient om een dier mee naar huis te nemen. Om een beeld te bevriezen. Zonder foto’s is het bijna onmogelijk dieren te schilderen met alle spieren en haartjes erop en eraan. Op basis van alleen veldschetsen krijg ik niet de details waarnaar ik streef. Er zijn maar enkele genieën die zonder foto’s kunnen werken, zoals Poortvliet, hoewel ook hij ze heeft gebruikt. Er zitten vaak perspectieven van telelenzen in zijn werk. Hetzelfde geldt voor Bateman. Zelfs
BRUNO LILJEFORS deed al een beroep op fotografie en Johannes Vermeer paste waarschijnlijk de camera obscura toe. Ik weet zeker dat de oude Vlaamse meesters ook een camera zouden gebruiken als ze in deze tijd leefden. Ze zouden veel beter dan toen dieren schilderen. Het portretteren van een dier ging pas echt goed lukken, toen de fotografie beschikbaar kwam. Voor mij is een foto geen spiegel van de waarheid, maar juist een vertrekpunt om die te vinden.”

Zijn carričre stoelt op intens speurwerk, dat veel dieper graaft dan met een lens te bereiken is. Voor hij aan een schilderij begint, verdiept de kunstenaar zich grondig zowel in het dier als in zijn leefgebied. Ook bezoekt hij wildparken en dierentuinen. In het veld kijkt de schilder niet zozeer naar landschappen of wolken, maar eerder naar de grond. Hij kruipt desnoods op handen en voeten om bijvoorbeeld korstmossen op zwerfkeien goed te kunnen observeren. „Ik let eigenlijk nog meer op de lichtval. Juist het licht maakt details zichtbaar.” Zijn ogen ontgaan niets. „Ik kan heel goed waarnemen. Dat zeg ik niet uit verwaandheid; ik ben gewoon blij dat ik dat kan.”
De harmonie van kleuren en texturen inspireren hem, evenals „de opwinding van een ontmoeting met een wild schepsel.” Inspiratie kun je op elk moment van de dag en overal krijgen, volgens hem zelfs in een boekhandel. Brenders raakt geboeid door de hypnotiserende blik van een arendsoog. Zijn vingers móeten de bepoederde vleugels van een vlinder even strelen, zodat hij later het zachte gevoel met verf kan uitdrukken. Ook droge grassprieten, gebroken twijgen of kiezelsteentjes bestudeert de schilder nauwkeurig. De concentratie op die kleine materie bezorgt hem soms kippenvel. „Het zijn gewoon surrealistische taferelen! Ieder blaadje is een wereld op zich. Een plukje mos is gewoon een heel bos! Zoals een goede schilder elke spier onder een dierlijke vacht moet kennen, zo wil ik de anatomie van een rots of een sneeuwvlok ook geheel doorgronden. Ik wil werkelijk weten wat daar is gebeurt, hoe een heuvel door een gletsjer werd gemaakt, hoe een omgevallen boom dood ging, welke insecten onder een gevallen rotsblok leven. Ik gebruik ook om die reden uitsluitend eigen opnamen, want daardoor weet ik hoe de situatie op dat moment was. Fotorealisme is niet iets schilderen op de manier zoals je het ziet, maar op de manier zoals het werkelijk is”, aldus Brenders, die veel uren besteedt aan het fotograferen van klauwen, staarten en veren. „Kunst is een explosie van indrukken en ik móet mijn indrukken zichtbaar maken.”
Het negeren van het kleinste detail ervaart hij als een minachting voor de natuur. „Als God bestaat, dan zit Hij in de natuur”, aldus de schilder, die streng rooms-katholiek werd opgevoed. Zo raakt hij verrukt door een stukje korstmos op een granietrots. „Die doet er minstens tweehonderd jaar over om zo groot als een muntstuk te worden. Als een schilder dit korstmos slechts beschouwt als een likje verf, vind ik dat een gebrek aan respect. Zelfs zo’n klein organisme is prachtig en verdient het om geschilderd te worden. Als het groeiproces zo lang duurde, dan kan ik er zeker een uur langer aan besteden om het te schilderen. Mijn kwaal is perfectie. Ik schilder elk keitje, want ik voel wat er onder zit.”
Logisch dat deze schildertechniek veel tijd vergt. Brenders, die zich meestal in de avonduren in zijn atelier terugtrekt („overdag ben ik liefst buiten, in het bos of in mijn tuin”), werkt gemiddeld vier tot zes weken aan een groot schilderij. Een kleiner exemplaar neemt een week of drie in beslag. Gedurende dat proces ontstaat er een enorme emotionele band met het kunstwerk. „Telkens als een van mijn schilderijen wordt verkocht, doet mijn hart pijn. Het lijkt net of ik een kind verkoop. Ik stop zoveel liefde in een schilderij, dat ik het vreselijk vind om ze te moeten afstaan.”
De kunstenaar schetst ieder dier eerst in diverse standen en bepaalt vervolgens de compositie, die hij later uitwerkt tot een gedetailleerde potloodtekening. Daarna gaat Brenders met gewone aquarelverf aan de slag, waarbij hij zowel penseel als airbrush hanteert. De achtergrond komt het eerst aan de beurt, daarna de dieren. Voor de detaillering gebruikt hij gouache. De Vlaming benut de fysieke en chemische potentie van zijn penselen en pigmenten tot het maximale en is een genie in het afbeelden van vacht en veren. Die lijken met bijna fotoachtige precisie haar voor haar te zijn geschilderd. In ieder geval wekken de duizenden lijntjes de illusie van een echte pels. Maar er zijn meer details die Brenders niet over het hoofd ziet. Zo spiegelt in de ogen van een lynx zelfs het landschap waar het dier sluipt.
Carl Brenders zegt dat ”wildlife art” niet enkel het resultaat is van ervaringen in het veld. „Omdat wilde dieren meestal schuw of juist gevaarlijk zijn, is verbeelding vaak voor mij dé manier om heel dicht in hun buurt te komen. Ik voel me heel gelukkig dat ik dat tot uitdrukking kan brengen, want wat ik schilder is haast onmogelijk om in het echt te zien. Ik schilder een denkbeeldige scčne zo natuurgetrouw, dat het onmogelijke werkelijkheid wordt.” Deze sublieme manier van onthullen geeft de kijker soms het gevoel in een situatie te zijn belandt waar zelfs een ervaren veldbioloog zich niet zou wagen. „Ik wil het voor mezelf zo uitbeelden. En dan is het mooi dat anderen er ook van kunnen genieten. Ik hoop dat mijn natuurscčnes de kijker een ervaring bieden die zij nooit meer vergeten. De emotie van de toeschouwer maakt de kunst."

Juist zijn hyperrealistische werkwijze kan rekenen op kritiek. Brenders zou zich schuldig maken aan het schilderen van mooie plaatjes, om een lucratieve markt te bedienen. Zijn werk stimuleert kopieerders en leunt op het gebruik van de camera. De Vlaming is niet onder de indruk van dergelijke verwijten. „Zelfs al zou ik mijn foto’s kopiëren, dan leken ze er nog niet op. Laat tien fotorealistische kunstenaars dezelfde vogel schilderen. Ik verzeker je dat je tien verschillende schilderijen krijgt. Iedere schilder heeft dagelijks weer andere emoties en die kun je niet loskoppelen van het schilderen.”
Soms vraagt hij zich af waarom hij zo realistisch schildert. „Als het moet, kan ik dieren waziger afbeelden, lijnen vertroebelen, grotere kwasten gebruiken en sneller schilderen. Maar waarom doe ik dat niet? Mijn probleem is dat ik details móet schilderen. Ik heb ontdekt dat deze stijl mijn ziel is. Vroeger probeerde ik heel wat dingen uit –van abstract tot expressionisme– maar ik had geen boodschap. En volgens mij kan een schilderij pas een boodschap bevatten als de kunstenaar zijn hart volgt.”
Hij wil altijd iets maken dat nooit eerder geschilderd is. „En als details mijn werk nog fraaier kunnen maken, zal ik proberen nog gedetailleerder te werken dan ik nu al doe. Zelfs al zou het me gek maken.”
Bescheiden: „Ik ben geen kunstenaar, maar een schilder, een vakman. Ik verkoop geen kunst, ik verkoop schilderijen. Het publiek moet maar uitmaken of het kunst is. Mijn doel was nooit om bekend te worden, maar op een dag iets moois te presteren. Een tevreden man? Na zo’n droomcarričre kan ik nu doen wat ik wil. Mijn leven is een sprookje.”

virtuele galerie
buitenlandse kunstenaars